Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd:
A
Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag
bouwvergunning komt te luiden:
e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek
uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit
bodemkwaliteit is erkend.
B
Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag
bouwvergunning komt te luiden:
e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun
bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op
te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder
meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de
bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen
onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de
Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een
verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een
terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de
resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740
volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN
5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de
onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van
asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN
5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat)
respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen.
Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en
wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van
bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader
onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel
1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.
De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op
grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen
voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning
nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een
bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen
bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en
waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond
raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een
bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op
grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.
Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5,
onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon
of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd
besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer.
Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het
uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van
VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat
of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen
aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.
Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas
kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het
voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de
bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd
kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit
onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze
bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de
aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde
voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere
indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip
van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden
vastgelegd.