Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 67

Artikel

Onderdeel van Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd: A Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden: e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit bodemkwaliteit is erkend. B Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning komt te luiden: e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN 5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat) respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen. Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht. De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen. Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer. Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen. Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel