1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in
artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder
oppervlaktewater, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden
vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede
een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34,
tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.
2. De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden voor de
bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het
afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien:
a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door stoffen die verspreid in dat bodembeheergebied
voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging;
b. die waarden en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het
bodembeheergebied; en
c. die waarden niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld op grond van de
beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het vaststellen van de noodzaak van een
spoedige sanering als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming.