Naar hoofdinhoud

Artikel 20

Vergoeding erfpacht

Onderdeel van Algemene erfpachtvoorwaarden registergoederen 1994

1.. Bij tenietgaan van de erfpacht op grond van het in artikel 15 lid 2 sub a, b en c bepaalde kan de erfpachter van de gemeente geen vergoeding vorderen, anders dan vergoeding van de waarde die de erfpacht na het einde van de erfpacht heeft, welke waarde wordt bepaald op de wijze als hierna in lid 2 van dit artikel omschreven. 2.. Bij tenietgaan van de erfpacht als hiervoor in lid 1 bedoeld is de gemeente verplicht binnen drie maanden na de dag waarop de erfpacht is beëindigd, een openbare veiling te doen houden volgens plaatselijk gebruik en - voorzover redelijkerwijs mogelijk - onder de gebruikelijke veilingsvoorwaarden van de erfpachtgrond en de daarop aanwezige opstallen; De opbrengst wordt geacht in de eerste plaats te zijn verkregen voor de erfpachtgrond tot een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde daarvan ten tijde van de openbare veiling; De rest van de opbrengst wordt uitgekeerd aan de erfpachter na aftrek van de kosten van veiling en van al hetgeen de erfpachter met betrekking tot de erfpacht nog aan de gemeente verschuldigd was, vermeerderd met kosten, schaden en interessen, daaronder tevens begrepen die ontstaan door bodemverontreiniging als bedoeld in artikel 32 lid 9; Indien bij de openbare veiling geen bod wordt gedaan of indien een prijs wordt geboden die niet toereikend is voor verhaal van de verkoopwaarde en van de in het vorige lid van dit artikel bedoelde aftrekposten, vervalt de verplichting tot gunning en is de gemeente niet gehouden tot enige schadevergoeding aan de (voormalige) erfpachter, onverminderd het recht van de gemeente op vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel