Als pensioengrondslag geldt het gemiddelde bedrag der gedurende de laatste 3 jaren diensttijd over één jaar genoten bezoldiging of wachtgeld.
Indien echter de bezoldiging voor 3 achtereenvolgende kalenderjaren in de laatste 10 jaren een hooger gemiddelde aanwijst, geldt dit als pensioengrondslag.
Zoolang de diensttijd van een gemeenteambtenaar minder is dan 3 jaren, wordt het gemiddelde over één jaar der door hem genoten bezoldiging als pensioengrondslag aangenomen.3.Het vierde lid is aldus gewijzigd en het vijfde lid is ingevoegd bij Raadsbesluit van 9 Maart 1911, opgenomen in Gemeenteblad n°. 9 van 1911.
In het geval van art. 8, eerste lid, wordt de pensioengrondslag volgens de vorige leden van dit artikel afzonderlijk berekend voor de betrekking, waaruit eervol ontslag is verleend, terwijl deze alsdan niet meer medetelt voor den pensioengrondslag uit de andere betrekkingen, welke de gemeenteambtenaar behoudt.
In het geval van art. 8, tweede lid, wordt de pensioengrondslag, waarvoor de daar bedoelde gemeenteambtenaren worden geacht van gemeentewege gepensionneerd te zijn, berekend naar dat deel hunner bezoldiging, dat overeenstemt met het percentage hunner invaliditeit, op grond waarvan de aldaar bedoelde rente is uitgekeerd, en telt die pensioengrondslag niet meer mede voor den pensioengrondslag uit het overige deel hunner bezoldiging. 3
Indien een betrekking door een echtpaar bekleed is, wordt na het overlijden van een der echtgenooten de pensioengrondslag van den overlevende vastgesteld op drie vierden van hun gezamenlijken pensioengrondslag volgens de drie eerste leden van dit artikel, en wordt daarbij, in afwijking van het laatste lid van art. 3, voor het genot van vrije voeding eenmaal het bedrag in rekening gebracht, dat daarvoor in de tabel van het tweede lid van art. 3 is bepaald, en voor het genot van vrije woning daarna drie vierden van het aldaar daarvoor bepaalde bedrag.