De pensioengrondslag voor de weduwen en weezen van de leden der fondsen wordt geregeld naar de bepalingen van art. 15.
De pensioengrondslag kan echter voor niemand de som van ƒ 2400,– teboven gaan; in dier voege dat, indien iemand lid is van meer dan een der in art. 27 bedoelde fondsen, en zijn gezamenlijke pensioengrondslagen in die fondsen de som van ƒ 2400,– zouden overschrijden, die grondslagen gezamenlijk pondspondsgewijze tot dat maximum worden verminderd.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op de pensioengrondslagen in Fonds A van de oude leden van dat fonds, die steeds lid daarvan gebleven zijn en tengevolge van een ongeval, als bedoeld in art. 6 sub d, overleden zijn, zoolang in de pensionneering hunner weduwen en weezen bij de wet, de Ongevallenwet 1901 uitgezonderd, niet is voorzien.