Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 39

Artikel 39

Onderdeel van Verordening op de pensioenen en wachtgelden

De pensioengrondslag voor de weduwen en weezen van de leden der fondsen wordt geregeld naar de bepalingen van art. 15. De pensioengrondslag kan echter voor niemand de som van ƒ 2400,– teboven gaan; in dier voege dat, indien iemand lid is van meer dan een der in art. 27 bedoelde fondsen, en zijn gezamenlijke pensioengrondslagen in die fondsen de som van ƒ 2400,– zouden overschrijden, die grondslagen gezamenlijk pondspondsgewijze tot dat maximum worden verminderd. De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op de pensioengrondslagen in Fonds A van de oude leden van dat fonds, die steeds lid daarvan gebleven zijn en tengevolge van een ongeval, als bedoeld in art. 6 sub d, overleden zijn, zoolang in de pensionneering hunner weduwen en weezen bij de wet, de Ongevallenwet 1901 uitgezonderd, niet is voorzien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel