Het pensioen bedraagt:
in andere gevallen dan het sub 2°. bedoelde:
voor de weduwe 25% van den pensioengrondslag;
voor elk der weezen, indien en zoolang zijn moeder pensioen geniet:
indien er
1
wees is,
7
% van den pensioengrondslag;
indien er
2
weezen zijn,
6½
% van den pensioengrondslag
indien er
3
weezen zijn,
6
% van den pensioengrondslag
indien er
4
weezen zijn,
5½
% van den pensioengrondslag
indien er
5
weezen zijn,
5
% van den pensioengrondslag
indien er
6
weezen zijn,
47/12
% van den pensioengrondslag
indien er
7
weezen zijn,
42/7
% van den pensioengrondslag
terwijl het totaal van het weezenpensioen bij iederen wees meer met 2 % van den pensioengrondslag wordt verhoogd;
voor elk der weezen, indien zijn moeder overleden is of geen pensioen geniet, het sub b bepaalde bedrag, met een derde verhoogd;
ingeval het lid van het fonds tengevolge van een ongeval, als bedoeld in art. 6 sub d, is overleden, en in de pensionneering zijner weduwe en weezen bij de wet, de Ongevallenwet 1901 uitgezonderd, niet is voorzien:
ca. voor de weduwe 30 % van den pensioengrondslag;
voor elk der weezen anderhalf maal het bedrag sub 1°. onder b en c bepaald; waarbij echter, ingeval krachtens de Ongevallenwet 1901 aan de weduwe en weezen een rente wordt uitgekeerd, het gezamenlijke bedrag van deze in mindering komt van het gezamenlijke bedrag van het weduwen- en weezenpensioen.
Voor de weduwen en weezen van hen, die bij het in werking treden dezer verordening lid van een der fondsen waren en dit sedert voortdurend gebleven zijn, wordt het pensioen, indien het bedrag daarvan volgens art. 10 der verordening van 29 October 1900 (Gemeenteblad n°. 38) juncto art. 3 der verordening van 23 Mei 1901 (Gemeenteblad n°. 15) hooger zou geweest zijn dan het overeenkomstige, in het vorige lid bedoelde bedrag, op dat hoogere bedrag bepaald.