Uitgangspunt generieke beleid

Uitgangspunt van het generieke beleid is dat de bodemkwaliteit moet aansluiten bij de functie van de bodem en dat de lokale (water)bodemkwaliteit op klasseniveau niet mag verslechteren en waar mogelijk verbetert.

Nuttige toepassing

Partijen grond mogen alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen andere regels. Nuttig toepassen betekent ook dat niet meer materiaal mag worden toegepast dan nuttig of nodig is. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om een geluidswal aan te leggen in een gebied waar dit niet nodig is, of die hoger is dan nodig om het geluid te weren. Voor een overzicht van nuttige toepassingen wordt verwezen naar bijlage 3.

Toepassen ernstig verontreinigde grond

In een gebied waarvan de bodem door een diffuse verontreiniging stoffen bevat in concentraties boven de Lokale Maximale Waarde voor industrie (landbodem) of Interventiewaarden (waterbodem), mag onder voorwaarden ernstig verontreinigde grond worden toegepast met het stellen van bovenstaande voorwaarden. Hiermee wordt voorkomen dat niet- of licht verontreinigde gebieden gaan fungeren als stortplaats voor ernstig verontreinigde grond. De voorwaarden zijn:

  • - het bevoegd gezag stelt de Lokale Maximale Waarden vast in een besluit (deze nota bodembeheer) voor die stoffen die de diffuse ernstige verontreiniging hebben veroorzaakt. De Lokale Maximale Waarden mogen niet hoger worden vastgesteld dan de kwaliteit van het gebied waarvoor deze Lokale Maximale Waarden gelden. ;
  • - de Lokale Maximale Waarden mogen het Saneringscriterium niet overschrijden;
  • - vanwege de samenhang met het bodemsaneringsbeleid wordt bij overschrijding van de van de Interventiewaarden van tevoren afgestemd met het bevoegde gezag bodemsanering;
  • - in gebieden met Lokale Maximale Waarden boven de Interventiewaarden of Maximale Waarden voor de klasse Industrie mag alleen grond worden toegepast die uit hetzelfde gebied afkomstig is en de Lokale Maximale Waarden niet overschrijd.

Grootschalige toepassingen

Binnen het besluit is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond in grootschalige toepassingen. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet worden voldaan aan de kwaliteitseisen en toepassingsvoorwaarden van dit toetsingskader zodat het milieu in voldoende mate is beschermd. Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Voor (spoor) wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Van dit toetsingskader kunnen gemeente en waterschappen gebruik maken, het is niet verplicht. Er kan bij grootschalige toepassingen ook gebruik worden gemaakt van het algemene toetsingskader (generiek of gebiedsspecifiek beleid). Wanneer sprake is van een grootschalige toepassing is afhankelijk van de volume van de toe te passen grond en de toepassingshoogte. In het besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden:

  • - toepassingen van grond in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen;
  • - toepassingen van grond voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving;
  • - toepassingen van grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;
  • - toepassing van grond in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.

Verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen

Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Keur van waterschappen. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden:

  • - voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel geldt de ontvangstplicht;
  • - de baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid;
  • - er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem;
  • - de verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld.

Het toetsingskader geldt niet voor verspreiding van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten. Deze worden als puntbron aangemerkt en dat valt buiten de reikwijdte van het besluit.

Milieuhygiënische verklaringen

Als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond en bagger worden binnen het besluit vijf typen

milieuhygiënische verklaringen onderscheiden (voor uitleg begrippen zie bijlage 2):

  • - partijkeuring;
  • - erkende kwaliteitsverklaring;
  • - fabrikanteigen verklaring;
  • - (water)bodemonderzoek;
  • - (water)bodemkwaliteitskaart.

In de praktijk zullen vooral de partijkeuring en het bodemonderzoek als bewijsmiddel worden gehanteerd. Deze moeten worden uitgevoerd volgens de BRL SIKB 1000 (partijkeuringen) of de BRL SIKB 2000 (bodemonderzoek) en de bijbehorende protocollen. Voor beide typen milieuhygiënische verklaringen geldt dat deze door een gecertificeerd bedrijf moeten worden uitgevoerd en dat de personen die het uitvoeren geregistreerd moeten zijn bij Agentschap.nl.

Voor de toe te passen grond zijn alleen de onderstaande onderzoeksstrategieën uit de BRL SIKB-1000 en de NEN 5740 (januari 2009) toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:

  • - VKB-protocol 1001 en 1002;
  • - onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem (TOETS-S);
  • - onderzoeksstrategie voor de toetsing of sprake is van schone bodem op grootschalige locaties (TOETS-S-GR);
  • - onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof (KEU-I-HE).

Locaties waar grond wordt toegepast maar die niet zijn gezoneerd in de bodemkwaliteitskaart moeten worden onderzocht. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen zijn de volgende onderzoeksstrategieën uit de NEN 5740 (januari 2009) toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit:

  • - onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV);
  • - onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie (ONV-GR);
  • - onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting (ONB).

Als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen of te verspreiden kan worden volstaan met strategieën die voldoen aan de NEN 5720.

Vrijstelling voor particulieren en agrariërs

Particulieren en agrariërs zijn vrijgesteld van de onderzoeksplicht naar de kwaliteit van grond en ontvangende bodem en de meldingsplicht voor het toepassen van grond. Voor agrariërs geldt de vrijstelling van de onderzoeks- en meldingsplicht alleen als de grond/baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorende perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. De zorgplicht (bijlage 5) blijft voor agrariërs en particulieren overigens wel gelden. De vrijstelling ontslaat particulieren en agrariërs ook niet van de plicht om te voldoen aan de kwaliteitseisen van het besluit. Wanneer vermoedens bestaan dat de kwaliteit van een partij grond niet voldoen aan de eisen van het besluit, kan door het bevoegd gezag handhavend worden opgetreden.

Dempen van oppervlaktewater

Bij het dempen van oppervlaktewater gaat waterbodem over in landbodem. Binnen de gemeente Bladel zijn momenteel geen afspraken gemaakt met de waterkwaliteitsbeheerder wie het bevoegde gezag is en of in deze situaties de toepassing kan plaatsvinden conform de Waterwet.

Bij voorkomende gevallen dient overleg plaats te vinden tussen beide bevoegde gezagen (gemeente Bladel en Waterschap De Dommel).

Grondverzet van kleine partijen

Voor kleine partijen grond (partijen minder dan 50 m3) is het uitvoeren van een partijkeuring conform het Besluit financieel niet haalbaar. Deze partijen kunnen ook worden samengevoegd tot een grote partij die vervolgens kan worden gekeurd. Het is wettelijk niet toegestaan om partijen van verschillende kwaliteit samen te voegen. Wel is het toegestaan om partijen samen te voegen met overeenkomstige kwaliteit (bijvoorbeeld twee niet-verdachte partijen uit de zelfde bodemkwaliteitszone). Het opslaan en opbulken van verontreinigde grond is vergunningplichtig in het kader van de Wet Milieubeheer. Voor de opslag van grond tot 10.000 m3 is de gemeente het bevoegd gezag.

Tijdelijke uitname

In het Besluit bodemkwaliteit is tijdelijke uitname van grond toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd of een functietoets is gedaan en een melding is verricht. Enige voorwaarde is dat er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt en dat de grond onder dezelfde condities weer wordt toegepast (ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond).

Tijdelijke opslag

In het besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet langer vergunningplichtig. Op grond van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Wel moet aan voorwaarden worden voldaan:

  • - de kwaliteit van de grond/baggerspecie moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem;
  • - de grond/baggerspecie mag in bepaalde situaties maar gedurende een bepaalde periode opgeslagen worden;
  • - de eindbestemming van de grond/baggerspecie moet bekend zijn.
Voorwaarden van het besluit
Vorm van tijdelijke opslagMaximale duur van de opslagKwaliteitseisenMeldingsplicht
Kortdurende opslag6 maanden-Ja
Tijdelijke opslag op de landbodem3 jaarKwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodemJa, met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Tijdelijke opslag in waterbodem10 jaarKwaliteit moet voldoen aan de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodemJa, met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Weilanddepot: opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel3 jaarAlleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelenJa, met voorziene duur van opslag en eindbestemming
Opslag bij tijdelijke uitnameLooptijd van de werkzaamheden-Nee

Transport van verontreinigde grond

Voor het vervoer van verontreinigde grond is sinds 1 januari 2005 een landelijke regeling van kracht geworden: Regeling melden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen. Deze regeling gaat over de inzameling van bepaalde categorieën afvalstoffen, waaronder verontreinigde grond. Ook dient volgens deze regeling voor het transport van verontreinigde grond een afvalstroomnummer te worden aangevraagd door de ontdoener en moet tijdens het transport een geldig begeleidingsbiljet aanwezig te zijn. De melding geschiedt via het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen die de uitvoering hiervan heeft uitbesteed aan Agentschap.nl http://www.lma.nl/).

De initiatiefnemer voor transport van verontreinigde grond moet zorgen dat bij het transport van de grond over de openbare weg de vereiste documenten aanwezig zijn. Vervoerders, inzamelaars, handelaars en/of bemiddelaars dienen landelijk geregistreerd te zijn. Deze bedrijven krijgen een zogenaamd VIHB nummer.

Als de grond/baggerspecie wordt afgevoerd naar een meldingsplichtige inrichting (reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond/baggerspecie) moet deze inrichting een afvalstroomnummer verstrekken, voordat de grond getransporteerd kan worden. Tevens moet zij aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA, www.lma.nl) een ontvangst- en eventuele vervolgmelding verrichten.

Alle doorslagen van geleidebonnen moeten door de diverse partijen (ontdoener, transporteur en ontvanger) gedurende minimaal 5 jaar na voltooiing van de werkzaamheden worden bewaard.

Bij transport van schone grond is een geleidebon niet wettelijk verplicht.

Zorgplicht

De zorgplicht houdt in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van het toepassen van een bouwstof, grond, maatregelen moet nemen om een verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.