Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Vergoeding verblijfkosten

Onderdeel van REGELING REISKOSTEN

1. De in verband met een dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten voor maaltijden en logies en voor kleine uitgaven overdag en 's avonds worden vergoed volgens door het bevoegd gezag te stellen regels. 2. Geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten bestaat voor een dienstreis kort dan vier uur en voor een dienstreis binnen de standplaats. 3. Aan de betrokkene die tijdens de dienstreis overnachting van overheidswege ontvangt en daarvoor betaling verschuldigd is, wordt een vergoeding verleend volgens de door het bevoegd gezag te stellen regels. In geval van de verstrekking van overheidswege geen gebruik is gemaakt, bestaat geen aanspraak op vergoeding. 4. Geen aanspraak op vergoeding voor maaltijden bestaat indien tijdens een dienstreis de gelegenheid bestaat al dan niet tegen betaling maaltijden van overheidswege te ontvangen, tenzij de betrokkene aannemelijk maakt dat hij daarvan geen gebruik heeft kunnen maken. 5. Indien veelvuldig dienstreizen moeten worden gemaakt, kan het bevoegd gezag een lage vergoeding wegens verblijfkosten vaststellen dan de vergoeding die wordt vastgesteld volgens de in het eerste lid te stellen regels. 6. Aan de betrokkene in bepaalde functies kan door het bevoegd gezag een vaste maandelijkse onkostenvergoeding worden toegekend. Het bevoegd gezag verklaart deze regeling van toepassing voor de sociale rechercheurs. 7. Bij grote verschillen in de kosten tussen betrokkenen, fiscale wijzigingen of wegens andere redenen kan deze vergoeding worden afgeschaft. 8. Bij de toekenning wordt per groep betrokkenen bepaald: waarvoor de vergoeding bestemd is en in welke omvang, declaraties van deze kosten is dan niet mogelijk. de hoogte van de vergoeding, deze wordt bepaald door de kosten van het in sub a benoemde te bepalen over 3 maanden. Bij deze bepaling wordt rekening gehouden met de hoeveelheid vrije dagen in die periode en de hoeveelheid op jaarbasis. 9. Bijstelling van het in lid 3 bepaalde bedrag vindt plaats door de meting na 3 jaar te herhalen. 10. De vaste onkostenvergoeding is voor parttimers naar rato van toepassing. 11. De onkostenvergoeding vervalt bij ziekte: bij kortstondige afwezigheid wordt de onkostenvergoeding doorbetaald. Van kortstondige afwezigheid is sprake als een afwezigheid van maximaal zes aaneensluitende weken in redelijkheid te verwachten is. indien langdurige afwezigheid, langer dan zes weken, is te voorzien, wordt de onkostenvergoeding de lopende en de eerstvolgende kalendermaand nog uitbetaalt. Per de eerste van de maand volgend op de hervatting van het werk, al dan niet op therapeutische basis, wordt de onkostenvergoeding weer uitbetaald. Als de betrokkene de functie niet meer uitoefent. 12. Het bevoegd gezag kan te allen tijde de betrokkene verplichten over een periode van 3 maanden de werkelijke kosten bij te houden en aan te tonen met bonnen en bescheiden. 13. Betrokkenen die niet voor koffie- en theepauzes terug kunnen keren naar de werkplek, alsmede de betrokkenen wiens functie bestaat uit het heen en weer reizen tussen de vaste standplaats en elders ontvangen een naar redelijkheid vast te stellen vergoeding voor kleine uitgaven aan koffie, thee en dergelijke. 14. De vergoeding bedraagt per dag maximaal het bedrag voor kleine uitgaven van artikel 12, lid 2 sub b, punt I. 15. De hoogte van de vergoeding is mede afhankelijk van het aantal dagen per maand, dat de betrokkene geen gebruik heeft kunnen maken van de door de gemeente verstrekte koffie en thee.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel