Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering Gemeentelijke
Belastingen van de gemeente Heerenveen en het beleid over het
toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van
de Invorderingswet 1990.
1.1. Inleiding
Net als de Leidraad Invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) en
de Model-leidraad Invordering Gemeentelijke Belastingen van de VNG bevat
deze leidraad enkel beleidsregels. Werkinstructies zijn niet opgenomen.
Bij de opmaak van deze leidraad is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad.
Het is echter geen kopie. Daar waar noodzakelijk zijn bepalingen toegevoegd
of aangepast aan de specifieke gemeentelijke situatie.
Opzet van de Leidraad
Voor de indeling in artikelen en subartikelen is aangesloten bij
Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990
en onderdelen van de Rijksleidraad treft u echter niet aan. Reden hiervoor
is dat deze onderdelen en artikelen niet van toepassing zijn voor gemeenten.
Bij diverse artikelen en onderdelen treft u dan ook de opmerking aan: ‘Deze
bepaling is niet van toepassing voor gemeenten’. Dit is gedaan om de
nummering van de originele Rijksleidraad niet te veranderen. De
(halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën kunnen dan
sneller gevonden en veranderd worden.
Vanwege de leesbaarheid is in deze leidraad het begrip ‘ontvanger’ in plaats
van de wettelijke term ‘gemeenteambtenaar belast met de invordering van
gemeentelijke belastingen’ gebruikt. Om dezelfde reden wordt in deze
leidraad het begrip ‘inspecteur’ gebruikt in plaats van de wettelijke term
‘gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen’. In
de andere gevallen is gekozen voor de directe vertaling van
(Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen.
Afkorting
Omschrijving
.....................
......................................
Awb
Algemene wet bestuursrecht
Awir
Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen
AWR
Algemene wet inzake rijksbelastingen
BW
Burgerlijk Wetboek
FW
Faillissementswet
MSNP
minnelijke schuldsanering natuurlijke personen
Rv
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Sr
Wetboek van Strafrecht
Sv
Wetboek van Strafvordering
WSF
Wet
Studiefinanciering 2000
WSNP
wettelijke schuldsanering natuurlijke
personen
Pw
Participatiewet
1.1.1. Lijst met gebruikte afkortingen
1.1.2. Definities
belasting(en): belastingen die door de gemeente worden geheven;
belastingdeurwaarder: de daartoe door het college aangewezen
gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de
Gemeentewet;
besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet
1990;
college: het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente;
echtgenoot: de echtgenoot bedoeld in artikel
3 van de Pw;
hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep
in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep;
inspecteur: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de
Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
zake mandaat is verleend door de inspecteur;
ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of
zelfstandig een beroep uitoefent;
ontvanger: de gemeenteambtenaar bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de
Gemeentewet, met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter
zake mandaat is verleend door de ontvanger;
particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt
aangemerkt;
regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van
rijksbelastingen (Invorderingswet 1990).
Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde
verstaan als de wet daaronder verstaat.
1.1.3. Reikwijdte beleidsvoorschriften
Deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.
1.1.4. Aansprakelijkgestelden en andere derden
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden
vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering
met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is
vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder
dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te
beperken.
1.1.5. Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur
In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de
Awb en het
Besluit Fiscaal
bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel
3:40, titels
4.1 tot en met 4.3, artikel
4:125, titel
5.2., de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de
wet.
Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de
mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling
of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt daarom
een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een
redelijke termijn te noemen (zie artikel
4:13, 4:14 en 4:15
Awb).
Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een verdagingstermijn van
maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk
overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij
administratief beroep geldt een verdagingstermijn van maximaal zes weken en
de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24
Awb).
Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet
voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17
Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de
dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen:
bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld
in artikel 30,
eerste lid, van de wet;
bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als
bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet;
bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel
7, eerste lid, van de Kostenwet invordering
rijksbelastingen;
bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een
onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet;
bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel
in artikel 63b van de wet.
Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is
artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af
te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad.
Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden
onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient.
Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken
van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het
gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere
omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad
onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat
aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4
Awb.
Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de
ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in
acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag,
executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de
belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt
dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk
geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal
toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit
verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer
open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in
verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt
dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden
geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen
invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen
dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de
verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen.
Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten
die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat.
De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in
materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet
ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één
maand nadat de verrekening is bekendgemaakt.
1.1.6. Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen
Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de
eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor de gemeente de
voorkeur.
1.1.7. Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven
Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan
kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt
hij daartoe toestemming van het college. Onder een bedrijf wordt in dit
verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een
zelfstandig uitgeoefend beroep.
Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de
ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel
onwetend blijven.
De ontvanger vraagt altijd toestemming als:
met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van)
de activa van het bedrijf wordt beoogd;
door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of
nagenoeg geheel worden vastgelegd;
derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het
geval is bij derdenbeslag;
de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent
openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als
steunvorderingen bij het aanvragen van faillissement door die
schuldeiser.
1.1.8. Voor de invordering minder geschikte dagen
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 15, eerste lid, aanhef en
onderdeel e, en artikel 18 van de van de wet doet de deurwaarder
geen exploten of verricht geen executie-handelingen tussen 20.00 uur ’s
avonds en 07.00 uur ’s ochtends, op een zondag en op een algemeen erkende
feestdag, behalve na een daartoe strekkend verlof van de
voorzieningenrechter.
De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op
dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen
zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.
Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van
invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de
privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de
ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9,
achtste lid van de wet terstond invordert.
Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name:
landelijk of regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen
met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende
dag
de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar
1.1.9. Binnenkomst van bescheiden
Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden
dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst
van die stukken de datum van binnenkomst bij de gemeente.
Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft
genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd
als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet
van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband
worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering
respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het
aansprakelijk stellen van derden.
1.1.10. Positie belastingdeurwaarder
Belastingdeurwaarder is een door of namens het college aangewezen ambtenaar
van de gemeente, dan wel een als belastingdeurwaarder van de gemeente
aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de
belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt
hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de
ontvanger).
Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt
zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is
verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet
onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen
dient.
Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke
hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van
artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden
om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt
meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in
verband daarmee - verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van
de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.
De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit
brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij
rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een
opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die
bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen.
Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een
klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens
hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn
ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht
en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam
is.
1.1.11. Bewaren invorderingsbescheiden
De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de
invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht
tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt
nog niet is verjaard.
De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten
minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer
als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang
definitief hebben verloren.
Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde
belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard,
of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij
hun belang definitief hebben verloren.
1.1.12. Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen
Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger
een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere
vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen.
Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden - voor
wat betreft de invordering - geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de
verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden.
De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of
reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de
belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft
overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is.
1.1.13. Informatieplicht
De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de
wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen
als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de
belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige
betaling plaatsvindt.
De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII
als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen.
1.1.14. Diplomatieke status
De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke
status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De
ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot:
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Kabinet en Protocol
Postbus 20061
2500 EB 's-Gravenhage
1.2. Toepassingsgebied
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied
van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van
toepassing is op de wet.
De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal
bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad).
Artikel 1
Inleiding en toepassingsgebied
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen