Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven voor
gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijksbelastingen. De
ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke kwijtschelding als de
belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar
de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon
bezwaar sprake zijn als de middelen om een belastingaanslag te betalen
ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd worden verwacht.
De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.
Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van
bestaan binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen
van de belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer
kwijtscheldingsbeleid voeren door dit percentage te verhogen tot
maximaal 100% (artikel 255, vierde lid, van de Gemeentewet).
Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden
verleend. Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op
grond waarvan de ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of
gedeeltelijk van zijn betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet
in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar te betalen.
De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden ook
voor het ontslag van de betalingsverplichting.
In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
beleid over:
algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;
kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren;
kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers;
administratief beroep;
voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
kwijtschelding;
geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om
kwijtschelding;
geautomatiseerde kwijtschelding.
26.1. Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid
Bijzonderheden gemeente
De gemeenteraad heeft ten aanzien van kwijtschelding een aantal
beleidskeuzes vastgesteld. Deze beleidskeuzes hebben betrekking op:
De belastingsoorten waarvoor géén kwijtschelding wordt verleend;
De te hanteren norm kosten van bestaan voor belastingschuldigen tot 65
jaar;
De te hanteren norm kosten van bestaan voor belastingschuldigen van 65 jaar
en ouder;
De mogelijkheid om de kosten voor kinderopvang bij de berekening van de
betalingscapaciteit in aanmerking te nemen;
De mogelijkheid om aan natuurlijke personen, die een bedrijf of zelfstandig
een beroep uitoefenen, voor de privé-belastingen kwijtschelding te verlenen
aan de hand van dezelfde criteria als die voor particulieren gelden.
Op verzoek verstrekt de invorderingsambtenaar een actueel overzicht van de
voor de gemeente van toepassing zijnde kosten van bestaan en overige
normbedragen.
De gemeente hanteert een termijn van orde: het verzoek om kwijtschelding
dient binnen 1 maand na dagtekening van de aanslag te worden ingediend.
Van deze termijn wordt slechts afgeweken indien het niet tijdig indienen van
het verzoek om kwijtschelding niet kan worden verweten aan de
belastingschuldige.
26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden
De ontvanger verleent ook kwijtschelding van bedragen die op
belastingaanslagen zijn betaald, als aan de volgende voorwaarden is
voldaan:
Betaalde bedragen tot drie maanden voorafgaand aan de datum van
indiening van het verzoek kunnen voor kwijtschelding in aanmerking
komen;
De belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar
eerder om had verzocht.
Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige de
bedragen terug die tot maximaal drie maanden voorafgaand aan de datum van
indiening van het verzoek zijn verricht.
26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding
Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend bij de ontvanger op een
daartoe ingesteld verzoekformulier.
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar dit
niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het verzoek
niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een verzoekformulier aan
de belastingschuldige en stelt deze in de gelegenheid het verzoek alsnog
binnen twee weken in te dienen.
In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als de
belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger het
verzoek af.
26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding
Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier onvolledig
ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de gelegenheid de
ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken. In afwachting
daarvan schort de ontvanger de invordering in beginsel op.
De ontvanger vraagt de gegevens slechts éénmaal op. Als de
belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt, beschouwt
de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst hij het
verzoek af.
26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding
Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang die
gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de leidraad
anders is aangegeven.
26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden
Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat aan
één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in de
beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de termijn
vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De termijn
bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van de
kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft
voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort, dan
moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een termijn van
tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de betaling van dat deel.
Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van deze leidraad) van
toepassing. Als tot de voorwaarden naast de voldoening van een deel van de
schuld ook de verrekening van teruggaven behoort, wordt het te betalen
bedrag niet beïnvloed door de hoogte van de verrekende teruggaven.
Indien ten tijde van het indienen van het verzoek om kwijtschelding
inmiddels invorderingskosten zijn ontstaan, dan wordt de betaling van deze
invorderingskosten als voorwaarde gesteld voor het verlenen van
kwijtschelding, tenzij het ontstaan van de invorderingskosten niet aan
belastingschuldige te wijten is. Zie tevens artikel 75.10 van deze
Leidraad.
26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij motiveren
waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten. Daarbij moet hij
alle afwijzingsgronden noemen.
26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij voortzetting
invordering
Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college afwijzend
heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing, dan wordt
de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn
van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Deze termijn wordt niet of
niet geheel verleend als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen
bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering
de belangen van de gemeente worden geschaad.
26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding
Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet de
termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag
aanvangen of voortzetten.
Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek dat
niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier dat
onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet in de
gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde formulier
of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de ontbrekende
gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van
deze leidraad), maar het verzoek afwijst.
26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend
Er wordt geen kwijtschelding verleend als:
de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet
volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte
formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad)
zijn verstrekt;
uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een
onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven
enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in
dat verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar
het oordeel van de ontvanger - in onvoldoende mate verschaft;
de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een
nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend,
dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens
de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen.
Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het
juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
verzoek;
een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de
hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of
(in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of
vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan
kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt
meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan
worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift
(in hoger beroep) is beslist;
voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
er sprake is van meer dan één belastingschuldige;
een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
gesteld;
het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere
sprake als:
het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is
te wijten dat te weinig belasting is geheven;
(vervallen)
een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf)
niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan
kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige
teruggaaf betreft voor zover die niet voor beslag vatbaar
is;
vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment
voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen
voldoen;
de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden
dat een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is
gebleven in verband daarmee middelen te reserveren;
deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten;
deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten;
deze bepaling is niet van toepassing voor gemeenten.
de belastingschuldige in surséance van betaling of in staat van
faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld
in de artikelen 138 en 252
FW;
ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is
van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet
zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel
8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel
verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is
gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een
boedelschuld;
het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag
nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat
het verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de
ontvanger tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de
definitieve aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking
deelt de ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de
definitieve aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan
worden ingediend waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan
worden betrokken;
door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden
is voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.
Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te
betalen belasting waarop het verzoek betrekking heeft als
aannemelijk is dat dit bedrag kan worden voldaan omdat:
binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
inkomens een hoger inkomen is te verwachten;
binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te
verwachten in de financiële omstandigheden;
binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de
voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling kan worden
verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de verschuldigde
belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben op een
per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de
aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat
geen kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag
binnen een jaar door middel van verrekening kan worden
aangezuiverd.
26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en kwijtschelding
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.
Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande (zakelijke)
belastingaanslagen.
26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend
bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman. Als naar het oordeel
van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of
vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad,
kan de ontvanger na voorafgaand overleg met het college toch
invorderingsmaatregelen treffen.
26.2. Kwijtschelding van belastingen voor particulieren
26.2.1. Vermogen en kwijtschelding particulieren
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de
bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd met de
schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger bevoorrecht
zijn dan de rijksbelastingen.
26.2.2. De inboedel en kwijtschelding particulieren
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in aanmerking
genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269 bedraagt. Als
de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking
genomen.
26.2.3. De motorvoertuigen kwijtschelding particulieren
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt ingediend
een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer bedraagt, wordt
de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als op de auto voor een
financier een pandrecht is gevestigd, moet ter vaststelling van de actuele
(over)waarde de financieringsschuld in mindering worden gebracht.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als
de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek daartoe -
aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening
van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit of
ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt
bedoeld de echtgenoot van belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover
deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel
zou kunnen worden betaald.
26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren
Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel
ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de
betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal
zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.
De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.
Ook indien belastingschuldige over meerdere rekeningnummers bij
verschillende bankinstellingen beschikt, dan worden positieve en negatieve
saldi gesaldeerd.
26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren
De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de waardebepaling
van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de onroerende zaak bij
verkoop vrij te aanvaarden.
Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt tot de
afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de belastingaanslag wordt
vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van de invordering bij oudere
belastingschuldigen die hun laatste levensjaren in hun eigen woning willen
slijten, leiden tot een onverdedigbare hardheid. Een gedwongen verhuizing in
verband met de verkoop van de woning zal voor deze groep belastingschuldigen
een onevenredig grotere belasting zijn dan voor andere belastingschuldigen.
In die gevallen kan de ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien
van prompte invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen,
gedekt door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een
beslag op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van
de langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.
Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
gevallen.
26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren
Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door de
ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking genomen,
tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld aan zijn
kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te behalen.
26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren
Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen
ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen
in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit
het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van
belang.
Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
belastingschuld kunnen worden aangesproken.
Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in
aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel
in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze
werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om
kwijtschelding indient.
26.2.8. [vervallen per 27-02-2009]
26.2.9. [vervallen per 01-01-2013]
26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren
Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig
zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden beoordeeld
in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om de
belastingaanslag te voldoen.
De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen het
gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek
om kwijtschelding is ingediend.
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd
met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van zijn
echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
verzoek om kwijtschelding is ingediend. De vaststelling van het totale netto
besteedbaar inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de
aanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht.
De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die
betrekking hebben op de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen
en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van belastingschuldige, worden
dus buiten beschouwing gelaten voor zover een door de belastingschuldige
ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden
die zijn ontstaan buiten de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke
huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag
voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van
de regeling).
26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren
Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt
gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten waarbij
aanspraak bestaat op vakantiegeld.
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of minder
bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in aanmerking
genomen.
Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage dan 7 in het geval de
belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet. In dat geval moet dus
worden uitgegaan van het percentage genoemd in artikel 19,
derde lid, van de Pw.
26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden
met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000 en hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+
).
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een
normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling
is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en
maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening
gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In
voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de partnertoeslag of de
één-oudertoeslag.
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair bedrag.
Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag
voor boeken en leermiddelen groot € 61.
Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag
voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een
forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53 en met het
bedrag aan onderwijsretributie.
Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
hiervoor berekend onder A en B.
Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen
inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype maximaal
geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te kunnen
berekenen de navolgende formules gebruikt:
Formule 1: (P + Q) – R – S = X
In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor
studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt
aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende
normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de
daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De
uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X, met dien verstande dat
X altijd tenminste nul bedraagt.
Formule 2: X + Y = T
In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten
van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de
berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit
inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen
te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit.
In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is vermeld
van overeenkomstige toepassing.
26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren
Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die
zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere
bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking
genomen.
De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt
daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke
bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is de bijzondere
bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor
jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de
ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen
tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar -
geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren
Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor
specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen
aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, worden
niet als inkomen in aanmerking genomen.
26.2.14. Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen worden
opgelegd.
Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld
in artikel 229 van de Gemeentewet) en andere belastingen en
heffingen van lokale overheden.
26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse
belastingschulden
Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die
zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3
Pw (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), worden de
woonlasten in aanmerking genomen tot ten hoogste 50% van het bedrag dat de
uitkomst is van de berekening op grond van artikel 15,
eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens
In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18 jaar
of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van 18
jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins op één
adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit
geen rekening gehouden met de netto-woonlasten, tenzij de belastingschuldige
aannemelijk maakt dat de woonlasten niet gedeeld kunnen worden. Het
vorenstaande geldt niet als sprake is van commerciële
verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of kamerhuurders.
26.2.16. Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren
Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
bijdrage die een gemeente op grond van de Pw van een
ex-partner vordert in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.
26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP
Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, en
die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt
het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.
Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht
dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de
boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en
onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als
vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
26.2.18. [vervallen per 01-01-2013]
26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
bijstandsuitkering
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van
de Wet op de zorgtoeslag, voor zover is begrepen in de
bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder €
39 per maand en voor echtgenoten € 86 per maand.
26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland
De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het
buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt,
wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een
alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
echtgenoten in de zin van artikel 3
Pw. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking
genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van
artikel 3 Pw, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze
rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn
bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de
werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt
geen rekening gehouden.
26.3. Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers
26.3.0 Kwijtschelding van belastingen voor ondernemers die geen verband
houden met deuitoefening van dat bedrijf of beroep
Door de gemeenteraad is besloten om, op grond van artikel 28,
lid 1, onderdeel b van de regeling, kwijtschelding voor die
belastingen die geen verband houden met de uitoefening van het beroep (de
zogenaamde privé-belastingen) voor ondernemers mogelijk te maken op grond
van dezelfde voorwaarden als die voor particulieren gelden. Dit houdt in dat
voor deze belastingen op grond van de berekening van de betalingscapaciteit
en het bepalen van het vermogen, conform de bepalingen van de afdelingen 1,
2 en 5 van de regeling, een besluit over het verlenen van kwijtschelding
wordt genomen.
Ten aanzien van het bepalen van het inkomen wordt aangesloten bij de wijze
waarop door de gemeente toepassing gegeven wordt aan artikel 6 van
het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Ten aanzien van het bepalen van het vermogen wordt aangesloten bij de wijze
waarop door de gemeente toepassing gegeven wordt aan de artikelen 7 tot
en met 9 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004,
met uitzondering van de bepaling in artikel 7 ten aanzien van vermogen
gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde
woning met bijbehorend erf. Vermogen gebonden in de in eigendom bewoonde
woning met bijbehorend erf wordt – op dezelfde wijze als dit voor
particulieren geldt – aangemerkt als vermogen zoals gedefinieerd in artikel 12 van
de regeling.
26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord
Kwijtschelding voor ondernemers vindt voor het overige alleen plaats bij een
saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.
Ook als er geen andere schuldeisers zijn of alleen speciale crediteuren als
bedoeld in artikel 26.3.8 van deze leidraad kan de ontvanger kwijtschelding
verlenen. De ontvanger zal bij dergelijke saneringsverzoeken de volgende
aspecten meewegen in de beoordeling van het verzoek:
Kan de belastingschuldige een verwijt worden gemaakt ter zake van
het onbetaald blijven van de belastingschulden (zie artikel 8 van de
regeling en artikel 26.1.9 van deze leidraad)?
Is er sprake van een situatie waarin de belastingschuldige de
ontvanger als enig schuldeiser heeft overgelaten door de andere
schuldeisers bij voorrang te voldoen (zie artikel 26.3.5 van deze
leidraad)? De voorwaarden van artikel 22 van de regeling voor
medewerking van de ontvanger aan een saneringsakkoord zijn voor
zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.
26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers
Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of de
mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor onbetaald
gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit de
aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een saneringsakkoord
voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt, treedt de ontvanger niet
toe tot het akkoord.
Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
geïnd had kunnen worden.
Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden
aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het
akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als
later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
ontvanger evenmin het ontstane tekort op.
26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord
De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één
of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan
niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
aandelenkapitaal.
26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord
Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de ontvanger
welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken.
Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het
verzoek.
Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding
voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord.
Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot
het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het
verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.
26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord
Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de ontvanger moet
worden uitgekeerd, brengt de ontvanger op de vorderingen van de preferente
en concurrente crediteuren eerst in mindering de bedragen die zij door
zekerheid hebben gedekt. Het begrip ‘ten minste’ verdient in elk geval extra
aandacht als in het verleden onevenredige betalingen aan concurrente
schuldeisers zijn gedaan.
Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of
in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot
sanering wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere
crediteuren hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de
ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet
worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede
komen.
26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord
Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken.
Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot
sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het
akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke
boete.
26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord
De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het bedrag
dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van artikel 7 van
de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit in
de beschikking.
26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord
Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de
vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder
meer:
Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op het
in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat, staat
het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet aan een
deelname daaraan door de ontvanger in de weg. Vanzelfsprekend zal in
aanmerking moeten worden genomen dat het recht van voorrang van de
pandhouder afhankelijk is van - en dus qua belang beperkt is tot -
de waarde van het in pand gegeven goed. Voor het niet door pand
gedekte gedeelte van zijn vordering kan de pandhouder slechts als
concurrent schuldeiser worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder
wiens pandrecht betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede lid, tweede volzin van de wet is
voor die zaak lager bevoorrecht dan de fiscus. Voor hem geldt het
voorgaande dus niet. Vordering van de gemeente moeten als
concurrente vorderingen worden aangemerkt.
Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde zaak
heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van zijn
vordering rekening worden gehouden met dat eigendomsvoorbehoud. Het
voorgaande is niet van toepassing als de rijksontvanger met
toepassing van het bodemrecht beslag heeft gelegd op deze zaak. In
dat geval wordt door de rijksontvanger integrale voldoening van de
waarde van de bodemzaak worden geëist en voor het restant van de
fiscale vordering (ten minste) het dubbele percentage;
Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit te
betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van de
te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de vordering
van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te houden met de te
verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit te betalen
bedragen.
Dwangcrediteuren. Onder ‘dwangcrediteuren’ worden in dit verband
verstaan leveranciers die niet bereid zijn aan een akkoord mee te
werken terwijl de onderneming zonder hen niet verder kan werken.
Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de
volledige betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.
26.4. Administratief beroep
26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om
kwijtschelding
Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de
ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend bij
de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen advies zendt
de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de belastingschuldige
toe.
Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als
de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger het
college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om niet
aan het beroepschrift tegemoet te komen.
26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding
De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn eerdere
beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een eerste
verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een duidelijke,
ambtelijke fout.
In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de ontvanger
een beroepschrift indienen bij het college.
26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen
aan deze motiveringsplicht.
26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding
Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat
het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek
zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate
tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. Ook
wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden
tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen
in de kosten van bestaan.
26.4.5.Beslissing College op beroep bij kwijtschelding
In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te
wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de
gronden.
26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding
Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet
eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9 van
de regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de
termijn van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt
gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig
artikel 9 van de regeling.
Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang van de
invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag worden verwacht
dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn
aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld
overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet,
hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als
inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.
26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om
kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij het
college. Hieraan is geen termijn gebonden.
Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had
moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat
de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het college op het
beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.
26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
kwijtschelding
26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding
Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om kwijtschelding of
een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend beslist op een
ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger,
dan moet de belastingschuldige het op de belastingaanslag(en) verschuldigde
bedrag binnen tien dagen na dagtekening van de afwijzende beschikking of
binnen de betaaltermijnen die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen.
Na deze termijn kan de ontvanger de invordering aanvangen dan wel
voortzetten. De termijn van tien dagen geldt niet als sprake is van een
situatie als bedoeld in artikel 10 van de wet.
26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar
de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de
ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die
beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
treffen.
Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen
voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt,
heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen
als kwijtschelding.
De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen
voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te
betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten
schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie
jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel - als dit minder
is - de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag
intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de
beschikking op.
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen.
Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de
belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe
beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan
hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft
gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet
binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is
voldaan.
26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding
Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel kan
worden verleend.
De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door het
Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht bestaat
op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium alsnog een
individueel verzoek worden ingediend.
Artikel 26
Kwijtschelding van belastingen
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen