In de plaatsingsprocedure worden de volgende vier categorieën
onderscheiden:
de ongewijzigde functies met gelijke formatie;
de ongewijzigde functie met minder formatie;
de gewijzigde functie, en
de nieuwe functie.
Ongewijzigde functie met gelijke formatie.
Indien een medewerker een ongewijzigde functie bekleedt, dan wordt hij
geplaatst op de ongewijzigde functie. Bij het nemen van het besluit tot
plaatsing als bedoeld in artikel 20 hanteert de werkgever in beginsel het
‘mens–volgt–werk’ principe. Dit houdt in dat de medewerkers, zo mogelijk,
wordt geplaatst in de eigen, ongewijzigde functie.
Ongewijzigde functie met minder formatie.
Indien een medewerker een ongewijzigde functie bekleedt met minder formatie,
en plaatsing op grond van het ‘mens – volgt – werk’ principe niet mogelijk
is, volgt plaatsing in een passende functie met in achtneming van de
criteria zoals genoemd bij de definitie ‘passende functie’ en op basis het
afspiegelingsbeginsel. Voor dit laatste geldt het volgende:
er wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging vanuit de
volgende leeftijdscategoriën: 17 tot 27 jaar, van 27 tot 37 jaar,
van 37 tot 47 jaar, van 47 tot 57 jaar, van 57 jaar en ouder tot de
AOW- gerechtigde leeftijd. Binnen elke leeftijdsgroep komt de
medewerker met de langste diensttijd als eerste voor plaatsing in
aanmerking;
voor het bepalen van de langste diensttijd wordt uitgegaan van het
aantal jaren, maanden en dagen dat een medewerker bij werkgever
werkt. Als twee of meer medewerkers even lang bij de werkgever
werken, wordt het aantal jaren, maanden en dagen in overheidsdienst
in aanmerking genomen. Bij een gelijk aantal werkgeversjaren en
overheidsjaren wordt gekeken naar de leeftijd. Degene met de hoogste
leeftijd heeft in dat geval de hoogste anciënniteit.
Als de medewerker naar het oordeel van de werkgever beschikt over
zodanige kennis en bekwaamheden dat zijn boventalligheid voor het
functioneren van de organisatie bezwaarlijk zou zijn, kan de
werkgever deze medewerker bij toepassing van het
afspiegelingsbeginsel buiten beschouwing laten.
Het afspiegelingscriterium wordt niet toegepast, als sprake is van
een sleutelfunctie, die ook vóór de organisatiewijziging
bestond.
Gewijzigde functies en nieuwe functies.
Om de uitgangspunten en doelstellingen te kunnen realiseren is het van groot
belang de plaatsingsprocedure te volgen die er voor zorgt dat plaatsing
gebeurt op basis van geschiktheid, waarbij de meest geschikte medewerker,
voorrang krijgt. Deze procedure wordt ingezet voor de gewijzigde en nieuwe
functies die op basis van geschiktheidseisen worden ingevuld, met
inachtneming van het gestelde in artikel 14.