**1..** In aanvulling op artikel 9, lid 2 van de ASA 2013 kan het college weigeren subsidie te verlenen indien:
door de toezichthouder in het lopende of voorgaande jaar één of meer overtredingen zijn geconstateerd van de belangrijkste voorwaarden wettelijke basiskwaliteit kindercentra, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a;
uit onderzoek van de toezichthouder blijkt dat de voorschoolse educatie niet voldoet of redelijkerwijs niet zal voldoen aan de Amsterdamse kwaliteitseisen op organisatieniveau.
**2..** In aanvulling op het eerste lid kan het college subsidie voor activiteiten ter voorbereiding op het aanbieden van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a, weigeren te verlenen, indien:
naar het oordeel van het college onvoldoende zicht is op het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig aanbod van voorschoolse educatie en het aantrekken van doelgroepkinderen;
een opleidingsplan, waarmee elke voor voorschoolse educatie in te zetten beroepskracht wordt opgeleid om te voldoen aan de Amsterdamse norm voor startbekwaamheid, ontbreekt;
voor het kindercentrum eerder subsidie is verleend ter voorbereiding op of voor het aanbieden van voorschoolse educatie.
**3..** In aanvulling op het eerste lid kan het college subsidie voor het aanbieden van voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 4, lid 1, sub b en artikel 4, lid 2, weigeren te verlenen, indien:
door de toezichthouder een overtreding is geconstateerd van de voorschriften gesteld bij of krachtens het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;
niet elke beroepskracht voorschoolse educatie voldoet aan de Amsterdamse norm voor startbekwaamheid;
een groep niet voldoet aan de Amsterdamse kwaliteitsvoorwaarden op groepsniveau.
**4..** In aanvulling op het eerste lid, sub a, kan het college subsidie voor het aanbieden van een ontwikkelaanbod voor kinderen die extra zorg nodig hebben, zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, weigeren te verlenen, indien subsidieaanvrager niet kan aantonen te beschikken over de ervaring en expertise om de activiteiten zoals genoemd in artikel 4, lid 4 uit te voeren op een wijze die bijdraagt aan het welzijn van deze peuters en aansluit bij hun ontwikkelmogelijk- heden.