Naar hoofdinhoud
Een tegemoetkoming voor inwoners die langdurig een laag inkomen hebben en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Het college kan de inwoner een individuele inkomenstoeslag toekennen als hij al jaren moet rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht heeft op verbetering van zijn inkomen. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner die: Ouder is dan 21 jaar maar jonger dan de AOW-leeftijd. In de voorafgaande 36 maanden, ook wel genoemd de referteperiode, van de aanvraag, ook wel genoemd de peildatum, een inkomen heeft gehad dat niet hoger was dan 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm. 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag geen bijdrage heeft ontvangen voor individuele inkomenstoeslag. Niet beschikt over een vermogen hoger als bedoeld in art. 34 van de Participatiewet. Zich in de afgelopen 12 maanden aantoonbaar heeft ingespannen om werk te vinden of kans op werk te vergroten. Geen kans heeft op inkomensverbetering. Geen opleiding volgt waarvoor recht bestaat op studiefinanciering WSF2000 of WTOS. De inwoner blijft het recht behouden op inkomenstoeslag als het inkomen binnen de 36 maanden, zoals genoemd in art. 2 onder b, in totaal niet meer dan €300,- netto boven de bijstandsnorm uitkomt. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag per 12 maanden bedraagt: € 405 netto voor een alleenstaande; € 515 netto voor een alleenstaande ouder; € 570 netto voor gehuwden of samenwonenden zonder kinderen; € 620 voor gehuwden of samenwonenden met kinderen. De bedragen genoemd in het vierde lid worden elk jaar per 1 januari aangepast met het percentage waarmee de gemeentebegroting wordt aangepast (prijsindex). Bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. Het college kan over het gestelde in lid 1 t/m 6 nadere regels stellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel