Naar hoofdinhoud
In paragraaf 7.1 is reeds aangegeven dat de a.b.b.b.’s ook van belang zijn bij het opleggen van een bestuurlijke sanctie. Door o.a. de schakelbepaling in artikel 3:2, tweede lid, van de Awb zijn de in de Awb opgenomen a.b.b.b.’s en de ongeschreven a.b.b.b’s ook van belang voor feitelijke handelingen en (feitelijke) toezichtshandelingen die door of namens de burgemeester uitgeoefend worden. In deze paragraaf zal vooral de evenredigheid / het evenredigheidsbeginsel besproken worden. Het evenredigheidsbeginsel of ook wel het proportionaliteitsbeginsel (hierna het evenredigheidsbeginsel) genoemd, bepaalt dat de uit een besluit (lees ook een handhavingsbeschikking) voortvloeiende lasten niet onevenredig zwaar mogen zijn, gezien de doelstellingen die het besluit wil dienen2W. Konijnenbelt, Resumé Hoofdlijnen van het bestuursrecht, Amsterdam: Elsevier Juridisch 2009, zesde druk, p. 88.. Kort gezegd: het is niet de bedoeling dat met een kanon op een mug wordt geschoten. Het evenredigheidsbeginsel speelt een belangrijke rol bij het opleggen van bestuurlijke sancties. In de Awb, voor wat het toezicht en handhaving betreft, komt dit beginsel tot uiting in o.a. artikel 5:13 van de Awb (een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is), artikel 5:32b, derde lid, van de Awb (de bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom) en artikel 5:46, derde van de Awb (indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel