Bij bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als meer dan 25 m3 grond en/of 100 m3 bodemvolume grondwater sterk verontreinigd (boven vastgestelde interventiewaarde Circulaire bodemsanering 2009) is.
Asbest vormt een uitzondering op deze regels. Voor asbest is niet 1987 het ijkpunt voor een historische bodemverontreiniging, maar 1993. Indien de asbestverontreiniging is ontstaan vóór 1993 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging. Hiervoor geldt geen volumecriterium. Er is sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest als de bodem meer dan 100 mg/kg aan (gewogen) asbest bevat.
Het bovenstaande betreft landelijke wet- en regelgeving voor asbest in bodem. Barendrecht en Ridderkerk hebben het beleid voor asbest in bodem en hergebruik van grond met asbest strikter geformuleerd. Dit wordt uiteengezet in hoofdstuk 11 van deze nota.
10.1.1 Gevallen van ernstige bodemverontreiniging
De provincie Zuid-Holland is conform de Wet bodembescherming bevoegd gezag voor Besluiten over gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Zij heeft de uitvoerende taken uitbesteed aan de DCMR Milieudienst Rijnmond. De noodzaak tot sanering en de aard van de saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. De spoedeisendheid wordt vastgesteld op basis van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's (resp. risico’s voor de mens, bodemleven en verspreiding).
Het merendeel van de saneringen, uitgevoerd met conventionele technieken handelt de DCMR af via het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering en een BUS-evaluatierapport achteraf. Gecompliceerde saneringsgevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Na afloop van een dergelijke sanering dient een evaluatierapport te worden ingediend. Het aanvullen van een saneringsput valt onder het Besluit bodemkwaliteit. Hiervoor is de gemeente het bevoegd gezag.
10.1.2 Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging
Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging worden afgehandeld door de gemeente. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente. Voor de sanering zal een beperkt plan van aanpak moeten worden ingediend. De gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een kort saneringsevaluatieverslag overleggen.
Eisen aan bodemonderzoek
Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL/Bodemplus.
Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering
Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. De gemeente heeft 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring.
Eisen aan uitvoering
De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen. Aangezien de gemeente een voorbeeldfunctie heeft, zal zij voor gemeentelijke saneringen altijd gebruik maken van conform BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven.
Eisen aan evaluatieverslag
Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. Dit evaluatieverslag moet de uitgevoerde werkzaamheden beschrijven. In geval van ontgraving dient het verslag aanvullend de resultaten van de controlemonsters, de hoeveelheden afgevoerde grond (stortbonnen) en de hoeveelheid en kwaliteit van de aanvulgrond te vermelden. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.
10.2 Saneren van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging
Bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 wordt als een nieuw geval beschouwd en moet direct worden gemeld. Bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging kunnen zowel provincie als gemeente bevoegd gezag zijn:
- - voor nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen is de gemeente het bevoegd gezag, tenzij sprake is van een provinciale inrichting;
- - voor nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen is de provincie het bevoegd gezag.
Indien het nieuwe geval het gevolg is van een calamiteit (ongewoon voorval), is een specifieke aanpak nodig. In dergelijke situaties binnen een Wm-inrichting is het bevoegd gezag de overheidsinstantie die vergunningverlener voor deze Wm-inrichting is. Buiten inrichtingen is de DCMR Milieudienst Rijnmond het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming.
10.2.1 Nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen
Inrichtingen beschikken over een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) of vallen onder het ActiviteitenBesluit. Vaak zijn in de vergunning bepalingen opgenomen over bodemverontreiniging en het uitvoeren van nul- en eindsituatiebodemonderzoek. Verder kan het bevoegd gezag Wm terugvallen op de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet bodembescherming (art. 13). Binnen gemeentelijke inrichtingen is de gemeente bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 13 Wbb.
De gemeente bepaalt de randvoorwaarden voor de aanpak van de geconstateerde bodemverontreiniging. Volgens artikel 1.1a uit de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming is de veroorzaker verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd. In principe betekent dit dat de verontreiniging volledig wordt verwijderd, waarbij als terugsaneerwaarde de maximale waarde bij de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctiekaart mag worden gehanteerd. Complexe gevallen, bijvoorbeeld onder bebouwing, kunnen maatwerk vereisen.
De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente en de gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen.
Eisen aan bodemonderzoek
Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. In principe moet het geval worden afgeperkt tot de bodemfunctieklasse zoals weergegeven op de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart, of het niveau zoals vastgesteld bij eerder nulsituatiebodemonderzoek. De mate van afperking moet dusdanig zijn dat een oplossingsrichting voor de verontreinigingsproblematiek kan worden bepaald.
Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Rijkswaterstaat leefomgeving/Bodemplus.
Eisen aan melding voorafgaand aan sanering
Minimaal 5 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Voor complexe gevallen kan het bevoegde gezag aanvullende eisen stellen. De gemeente heeft 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring.
Eisen aan uitvoering
De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000.
Eisen aan evaluatieverslag
Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. Dit evaluatieverslag moet de uitgevoerde werkzaamheden beschrijven. In geval van ontgraving dient het verslag aanvullend de resultaten van de controlemonsters, de hoeveelheden afgevoerde grond (stortbonnen) en de hoeveelheid en kwaliteit van de aanvulgrond te vermelden. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.
10.2.2 Nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen
Nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen, niet zijnde calamiteiten, komen minder vaak voor dan binnen inrichtingen. Voorbeelden van dergelijke gevallen zijn:
- - Verontreiniging van wegbermen na 1 januari 1987.
- - Verontreiniging van de bodem als gevolg van de aanleg van een werk in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (door onverwacht hoge uitloging of vermenging met de bodem).
In tegenstelling tot situaties binnen inrichtingen is een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Hierdoor blijven de gevallen vaak onopgemerkt tot het moment dat er bodemonderzoek in een ander kader plaatsvindt of er een vermoeden bestaat dat er iets aan de hand is.
Er is ook niet altijd een duidelijke veroorzaker aan te wijzen. Wanneer de veroorzaker niet bekend is, kan worden teruggevallen op de saneringsparagraaf uit de Wet bodembescherming. De DCMR is het orgaan voor het beoordelen en handhaven van deze bodemverontreiniging.
10.2.3 Calamiteiten (ongewone gevallen)
Wanneer door een ongeval of een ander ongewoon voorval de bodem verontreinigd raakt of dreigt te raken, dient de veroorzaker onverwijld maatregelen te nemen om (verspreiding van) de verontreiniging te voorkomen. Als de bodem al verontreinigd is geraakt, moet deze zo snel mogelijk ongedaan worden gemaakt. Dit is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming, het zorgplichtbeginsel. Direct handelen is nodig als:
- - de verontreiniging zich snel verspreidt;
- - de verontreiniging kort geleden is ontstaan;
- - de verontreiniging eenvoudig is op te ruimen door ontgraving.
In principe moet de veroorzaker in de gelegenheid worden gesteld om de benodigde acties te ondernemen. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegde gezag de acties (laten) uitvoeren en deze in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is dan sprake van rauwelijkse bestuursdwang, zoals vastgelegd in artikel 5.24 van de Awb ('geen termijn als de geboden spoed dit eist'). De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld.
Het bevoegd gezag is:
- - Binnen Wm-inrichtingen: de overheidsinstantie die, net als bij de reguliere nieuwe gevallen van bodemverontreiniging, vergunningverlener is.
- - Buiten Wm-inrichtingen: het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (DCMR Milieudienst Rijnmond).
Eisen aan bodemonderzoek
Indien direct handelen vereist is, is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, is het beter om eerst een bodemonderzoek uit te voeren.
Eisen aan melding
De veroorzaker moet de calamiteit melden aan de gemeente. De gemeente bepaalt of zij zelf bevoegd gezag is of de provincie. In het laatste geval geeft de gemeente de melding door aan de DCMR die voor verdere afhandeling zorgt. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, moet de veroorzaker een schriftelijke melding doen, zoals beschreven in paragraaf 10.2.1.
Eisen aan uitvoering sanering
Het saneren van bodemverontreiniging als gevolg van calamiteiten valt afhankelijk van het verontreinigd bodemvolume onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat wanneer sprake is van een geval van de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Uitzondering vormen situaties waarin direct handelen is vereist. In dat geval hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn voor de BRL-7000. Dit geldt voor de bereddering van de eerste 24 uur na een calamiteit. Indien geen bodemonderzoek is uitgevoerd, bepaalt de milieukundig begeleider in het veld de ontgravingsgrenzen van de sanering.
Eisen aan evaluatieverslag
Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 5 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.