• - De gedeelten van de nabestaanden-, bijzondere nabestaanden- en wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen, bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32 gaan tezamen het bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.
  • - Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.