a.Binnenstad

Ten geleide

De cultuurhistorische waarden van het door het rijk beschermde stadsgezicht Binnenstad zijn vastgelegd in de ‘Cultuurhistorische Analyse Beschermd Stadsgezicht Binnenstad Amersfoort’ (CHA), die deel uitmaakt van het in 2015 vastgestelde Bestemmingsplan Binnenstad. De CHA maakt deel uit van het toetsingskader van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0307.BP00071- 0301/b_NL.IMRO.0307.BP00071-0301_rb4.pdf).

1| Hoofdkenmerken beschermd stadsgezicht Binnenstad

Bij het formuleren van de hoofdkenmerken van de historische binnenstad komen in de ‘Cultuurhistorische Analyse Beschermd Stadsgezicht Binnenstad’ zeven belangrijke aspecten naar voren. Deze zijn hieronder beschreven. Zij vormen de ‘kapstok’ voor de ambitie en welstandscriteria voor de binnenstad. Als achtste kenmerk is de plantsoengordel rond de binnenstad beschreven. De kernwaarden zijn uitvoeriger beschreven in de CHA.

Onderscheid kern en schil

Hoewel de oudste stedelijke kern en de latere uitbreiding daarvan ruimtelijk hecht met elkaar zijn verbonden, kunnen we onderscheid maken tussen de ‘kern’ en de ‘schil’ van de binnenstad. In de kern zijn de historische plattegrond en de ruimtelijke opbouw het meest gaaf bewaard gebleven. In de van oorsprong minder intensief bebouwde schil zijn in de 20ste eeuw een aantal grootschalige invullingen gerealiseerd. Omdat de randen van deze ingrepen in veel gevallen nog uit historische bebouwing bestaat, zijn deze complexen tamelijk geïsoleerd binnen het stedelijk weefsel gelegen. Dit onderscheid leidt tot verschillen in ambitie, overeenkomstig de orde- en beleidskaart uit de CHA.

Concentrische aanleg en assenkruis

Uniek is de dubbele, concentrische aanleg van de Muurhuizen met singels en het plantsoen. Hier zijn de vroegere stadsversterkingen op een bijzondere wijze in de stad opgenomen, waarbij de tuinen van de singelbebouwing onderdeel uitmaken van de monumentale groenstructuur. De ringen worden doorkruist door een centrale as (Utrechtsestraat, Arnhemsestraat, Langestraat en Kamp) als hoofdroute. Aan deze economische drager zijn de belangrijkste marktpleinen gelegen. Haaks daarop bevindt zich het grachtenlint (Korte- en Langegracht, Grote- en Kleine Spui).

Aan de centrale as is sprake van een grotere dynamiek dan in het gebied daaromheen. Voor zover de aard van de bebouwing en de voorgenomen ingreep dit toelaten, kan bij de toepassing van de welstandscriteria meer interpretatieruimte geboden worden.

Gaaf middeleeuws stratenpatroon

Het huidige stedenbouwkundige weefsel wordt gekenmerkt door een hiërarchie in de openbare wegen, in de vorm van hoofdstraten, nevenstraten en stegen. Deze hiërarchie is terug te zien in de oriëntatie van de bebouwing, die altijd op de belangrijkste openbare ruimte is gericht. De ordening en oriëntatie van de bebouwing stelt voorwaarden aan ingrepen in gevels en de ontsluiting van de gebouwen.

Gesloten en halfopen bouwblokken

Typerend voor de binnenstad is de toepassing van het gesloten bouwblok, opgebouwd uit een fijnmazige verkavelingsstructuur met smalle perceelsmaten. De binnenterreinen zijn vanuit de openbare ruimte nauwelijks zichtbaar. Aan de randen van de binnenstad bevinden zich half open bouwblokken, waardoor de binnenruimten visueel onderdeel uitmaken van aansluitende groenstructuur. Terreinen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte moeten in de historische binnenstad aan aanvullende criteria voldoen.

Individualiteit van de historische bebouwing

De historische binnenstad is fijnmazig opgebouwd uit kleine bouweenheden. Individuele woonhuizen en bedrijfspanden hebben een eigen ontsluiting aan in de in hiërarchie belangrijkste openbare weg. Het overgrote deel van deze bebouwing behoorde tot het basistype ‘portaalhuis’, onderverdeeld in ‘diep- en langshuizen’. De ‘diephuizen’, met de korte zijde aan de straat, liggen vooral langs commerciële openbare ruimten zoals de winkelstraten, terwijl de ‘langshuizen’, met de lange gevel aan de straat, vooral op percelen staan met een geringe kaveldiepte. Dit kenmerk stelt eisen aan de vormgeving van aangrenzende panden en aan de ontsluiting van panden.

Dakenlandschap

Het historisch dakenlandschap met zijn spitse kappen behoort tot de belangrijkste stedenbouwkundige karakteristieken van de Amersfoortse binnenstad. Deze hoogopgaande daken benadrukken de individualiteit van de panden. De daken hebben een ‘leeg’ en ‘gesloten’ karakter. Binnen de samenhang van het historisch dakenlandschap zijn subtiele verschillen aanwezig. Platte daken en dakterrassen komen vooral in de westelijke schil overheersend voor.

Het karakter van het dakenlandschap stelt eisen aan de mate waarin we ‘gebiedsvreemde’ toevoegingen toestaan.

Eenheid in verscheidenheid

Het bebouwingsbeeld is voor het overgrote deel nog steeds samenhangend en waardevol met subtiele onderlinge variaties: ‘eenheid in verscheidenheid’. De verscheidenheid zit vooral in subtiele verschillen in bouwmassa’s, materiaal- en kleurgebruik met daarnaast een variatie in de hieraan ondergeschikte onderdelen. Hierdoor is elk pand individueel herkenbaar in de gevelwanden.

In de Cultuurhistorische Analyse (CHA) zijn hiervoor de ‘basisprincipes van historische architectuur’ beschreven. Hierin zijn naast het dakenlandschap en het principe van ‘eenheid in verscheidenheid’, nog zeven aspecten van belang: hiërarchie tussen voor- en overige gevels, gevelopbouw, symmetrieassen, vensterindeling, reliëf, materiaal- en kleurgebruik en de ordening van gevelelementen in de vorm van de ‘schaalladder’.

De eenheid in verscheidenheid staat binnen het kader van de basisprincipes van historische architectuur enige variatie in opbouw, kleur- en materiaalgebruik toe.

Plantsoengordel

De Middeleeuwse stad wordt omsloten door de plantsoengordel uit 1840 (Zocherplantsoen), een aansprekend voorbeeld van de Engelse landschapsstijl. Dit eerste publieke stadspark van Amersfoort werd na het slechten van de oude stadsmuur op het vrijkomende gebied aangelegd. In de jaren ‘60 is een deel van het plantsoen verloren gegaan door de aanleg van de Stadsring. Het deel tussen Arnhemseweg en het spoor is door grote stedelijk druk versteend geraakt.

Samen met de monumentale binnenstad is het park voor de stad van een unieke culturele en historische betekenis. Niet alleen het arcadische groen maar ook de door Zocher ontworpen woningen in het groen, de Monnickendam, de stadsmuur en de Joodse begraafplaats(en) zijn voor het gebied van grote waarde.

Het plantsoen met prachtige routes en spelaanleidingen vervult een belangrijke recreatieve functie voor de bezoekers en bewoners van de binnenstad. Ecologisch vormen de singel en grachten een belangrijke corridor voor watergebonden flora en fauna. Aan het begin van de 21e eeuw is het plantsoen gefaseerd gerestaureerd.

2| Dynamiek en ambitie

Het behoud van de hierboven beschreven hoofdkenmerken is het uitgangspunt. Hiervoor zijn de panden in de binnenstad in de CHA onderverdeeld in vier orden, waarbij 1 de hoogste orde is. Hoe hoger de orde hoe meer behoud, restauratie en herstel voorop staan. Bij monumenten (orde 1) is maximaal behoud en het terugbrengen van de oorspronkelijke waarden het uitgangspunt. Deze behoudsdoelstelling geldt ook voor de beeldbepalende panden (orde 2) en de beeldondersteunende panden (orde 3), maar hier is een vrijere interpretatie van de criteria mogelijk, op voorwaarde dat wordt aangesloten bij de oorspronkelijke karakteristiek en dat het uiterlijk van het pand verbetert. Bij panden die qua maat, schaal en detaillering minder aansluiten bij de karakteristieken van de historische stad (orde 4) zijn grotere veranderingen mogelijk en soms ook wenselijk. Hier kan naast behoud en herstel ook voor transformatie worden gekozen. In dat geval dienen ingrepen zich met respect voor de cultuurhistorische waarden in het straat- en bebouwingsbeeld te voegen.

De ‘basisprincipes van historische architectuur’ en de ‘schaalladder’ uit de CHA vormen het kwalitatieve referentiepunt.

Bij gevelwijzigingen geldt de indeling uit de in de CHA opgenomen ordekaart; bij nieuwbouw de Cultuurhistorische beleidskaart. In deze Cultuurhistorische beleidskaart wordt de binnenstad verdeeld in 4 gebieden (gebiedsorden): 1) Gebied waar maximaal behoud en herstel voorop staat, 2) Gebied waar het historisch karakter voorop staat, 3) Gebied dat aansluit of beter moet aansluiten op het historisch karakter, en 4) Gebied met een op zichzelf staand karakter.

De ligging van een locatie in een van bovenstaande gebieden bepaalt hoeveel schaalniveaus uit de schaalladder aanwezig moeten zijn in het ontwerp. Daarnaast dienen de basisprincipes van historische architectuur te worden toegepast.

3| Gebiedsgerichte criteria

Bij de historische karakteristieken aansluitende panden/complexen

Algemeen

  • - De ‘basisprincipes van historische architectuur’ vormen, in relatie tot de hierboven beschreven hoofdkenmerken van het beschermd stadsgezicht, het kwalitatieve referentiekader voor ieder bouwinitiatief.
  • - Bij nieuwbouw vormen de ‘basisprincipes van historische architectuur’ en de ‘schaalladder van gevelelementen’ in samenhang met de Cultuurhistorische beleidskaart het kwalitatieve referentiekader.
  • - Met uitzondering van de stenen Muurhuizen hebben gevels een open karakter met relatief veel glas, ook op de begane grond.
  • - De gevels zijn niet volledig ‘verglaasd’ en de ramen zijn voorzien van raam- en kozijnhout.
  • - Kunstuitingen, zichtbaar vanuit de openbare ruimte, passen bij de kenmerken van het beschermd stadsgezicht en worden voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed.

Ligging en plaatsing

  • - De gebouwen voegen zich in het stedelijk weefsel en de fijnmazige hiërarchie van grachten, straten en stegen.
  • - De plaatsing en oriëntatie van de gebouwen zijn overeenkomstig de historische indeling in percelen en richting; de perceelsbreedte is aan de gevels af te lezen.
  • - Er is een duidelijk onderscheid tussen voor- en zijgevels.
  • - De gebouwen hebben hun hoofdtoegang aan de belangrijkste straat die aan het perceel grenst.

Massa en hoofdvorm

  • - De maat, schaal en verhoudingen van de gevels zijn in samenhang met de omringende historische bebouwing én met de belangrijkste kenmerken van de binnenstad.
  • - De bebouwing heeft een enkelvoudige (individuele) hoofdvorm of een gelede hoofdmassa naar de maat en schaal van de oorspronkelijke indeling in percelen.
  • - De bouwmassa volgt in principe de perceelsrichting.
  • - Aan-, uit- of bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
  • - Luifels zijn bij een winkelfunctie alleen (in bescheiden vorm en formaat) toepasbaar indien onderdeel van of passend bij de oorspronkelijke architectuur en worden niet hoger aangebracht dan de vloer van de eerste verdieping.
  • - Gevelwijzigingen in de vorm van erkers, balkons, loggia’s, portieken of andere insnedes zijn alleen mogelijk indien deze bij het architectuurtype passen.
  • - Er bestaat samenhang tussen het bovendeel van de gevel en de (winkel)onderpui.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Kenmerkende historische bouwonderdelen en detaillering worden zoveel mogelijk gehandhaafd/hersteld.
  • - Materialen en kleuren dienen overeen te komen met de oorspronkelijke materialisering en kleurstelling (monumenten en beeldbepalende panden) of mogen de oorspronkelijke karakteristieken van het pand niet verstoren (beeldondersteunende panden).
  • - Materialen en kleuren zijn ingetogen, verouderen mooi, harmoniëren met aangrenzende panden en passen in het historische straatbeeld.
  • - Gevels zijn van baksteen of een vergelijkbaar steenachtig materiaal dan wel in een lichte tint gepleisterd.
  • - Ramen bevatten alleen transparant glas.
  • - Kozijnen, lijsten en dergelijke zijn van hout of andere historische materialen.
  • - Hellende daken zijn belegd met matte gebakken (keramische) pannen of leien; voor ondergeschikte bouwmassa’s kan ook voor zink worden gekozen.
  • - Afwijkende materialen en kleuren zijn alleen mogelijk op basis van historisch kleuronderzoek.
  • - Hemelwaterafvoeren worden zo mogelijk in de gevel opgenomen.

Niet bij de historische karakteristieken aansluitende panden/complexen

Algemeen

  • - Bij wijziging of sloop/nieuwbouw van niet bij de historische karakteristiek passende gebouwen/complexen is de in de CHA opgenomen beleidskaart richtinggevend.
  • - Bij nieuwbouw worden de ‘basisprincipes van historische architectuur’ en de ‘schaalladder’ toegepast, zoals omschreven in de CHA.

Ligging en plaatsing

  • - De plaatsing en oriëntatie van het bouwwerk zijn overeenkomstig de historische indeling in percelen en richting.
  • - De bebouwing is georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte.
  • - Bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken staan in een ondergeschikte positie.

Massa en hoofdvorm

  • - De bebouwing heeft een gelede hoofdvorm, zo mogelijk geïnspireerd op de schaal van historische bebouwing.
  • - De hoofdbebouwing en de afzonderlijke eenheden binnen een project zijn individueel herkenbaar.
  • - De hoofdgebouwen en de afzonderlijke eenheden binnen een project zijn individueel vanaf de straat ontsloten; hoofdontsluiting (mede) vanaf de achterkant is niet toegestaan.
  • - Luifels zijn bij een winkelfunctie alleen (in bescheiden vorm en formaat) toepasbaar indien onderdeel van of passend bij de oorspronkelijke architectuur en worden niet hoger aangebracht dan de vloer van de eerste verdieping.

Detaillering, kleur en materiaalgebruik

  • - Bij verbouwing en uitbreiding worden waardevolle, originele details en ornamenten gehandhaafd.
  • - Bij nieuwbouw wordt een verfijnde detaillering en afwerking toegepast.
  • - Er wordt gebruik gemaakt van representatief hoogwaardig materiaal (zoals baksteen, staal glas, geschilderd hout e.d.), dat mooi veroudert en harmonieert met de belendingen.

4| Aanvullende criteria

aHistorische winkelpuien

Algemeen

  • - Puien bezitten in zijn geheel een ‘dragende tektoniek’ met een rank karakter, d.w.z. geen invulling in een stenen frame, waar alleen de zijpenanten lijkten te dragen.
  • - Uitgangspunt is het behoud en herstel van de bestaande historische winkelonderpuien met een restauratieve aanpak. Gevelreconstructies zijn gebaseerd op historische voorbeelden en de basisprincipes van historische winkelonderpuien, zoals beschreven in de Cultuurhistorische Analyse.

Ligging en plaatsing

  • - De winkelonderpuien worden in de rooilijn (terug)geplaatst.

Massa en hoofdvorm

  • - Winkelpuien bestaan uit een raster van horizontale ‘banden’ en verticale ‘stroken’. Hierbij corresponderen de banden met de elementen plint, middenstuk en bekroning, terwijl de ranke verticale stroken een dragend karakter hebben.
  • - Winkelpuien hebben een duidelijke borstwering die in het vlak van de gevel zelf ligt.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Winkelpuien kennen een verfijnde detaillering en een meerlagig reliëf.
  • - Winkelpuien kennen een afzonderlijk vormgegeven overgangselement tussen pui en bovenbouw.
  • - Toegevoegde elementen zoals reclame, zonwering of beveiliging mogen bestaande, originele elementen niet afdekken.
  • - Gevels zijn niet volledig verglaasd.

bIngrepen aan het dakenlandschap

Het historisch dakenlandschap met zijn spitse kappen behoort tot de belangrijkste stedenbouwkundige karakteristieken van de Amersfoortse binnenstad. Deze hoogopgaande daken benadrukken de individualiteit van de panden. De daken hebben een ‘leeg’ en ‘gesloten’ karakter. Binnen de samenhang van het historisch dakenlandschap zijn subtiele verschillen aanwezig. Platte daken en dakterrassen komen vooral in de westelijke schil overheersend voor.

Het karakter van het dakenlandschap stelt eisen aan de mate waarin we ‘gebiedsvreemde’ toevoegingen toestaan.

b1 Dakkapellen

Algemeen

  • - Dakkapellen zijn enkel – en in beperkte mate – toegestaan op het hoofdgebouw.
  • - Aantal, grootte, vorm en positie van dakkapellen worden afgestemd op reeds aanwezige dakkapellen/dakramen in hetzelfde dakvlak en op de gevelindeling.
  • - De originele kapconstructie en de horizontale noklijn van daken blijven duidelijk herkenbaar.
  • - Combinaties van dakkapellen, dakvensters en dakloggia´s zijn niet toegestaan.

Ligging en plaatsing

  • - De plaats van de dakkapellen is zorgvuldig afgestemd op de architectuur en bouwstijl van het hoofdgebouw.
  • - Dakkapellen worden niet boven elkaar gebouwd.
  • - Dakkapellen worden laag in de onderste helft van het dakvlak geplaatst, tenzij de maat van het dakvlak dit niet toelaat.
  • - Bij een mansardekap sluiten de dakkapellen aan op de knik van de dakvlakken.
  • - De kleinste afstand van de dakkapellen tot de haaks erop staande gevel, de scheidingsmuur tussen panden en/of de zijkant van het dakvlak bedraagt ten minste 1/5 van de breedte van het dakvlak, met een minimum van 1 meter.
  • - De afstand van de dakkapellen tot de dakvoet bedraagt ten minste 2 dakpannen, tenzij sprake is van een bestaande borstwering of daklijst, waarbij de onderdorpel van het kozijn van de dakkapellen aansluit op het schuine dakvlak en de goot of daklijst doorloopt ter plaatse van de dakkapellen, in welk geval de dakkapellen vanuit de dakvoet mogen worden gebouwd.
  • - De afstand tot de nok bedraagt ten minste 0,5 meter en de afstand tot de zij- of kopgevel ten minste 1 meter.

Massa en hoofdvorm

  • - Bij een dakhelling van meer dan 45 graden worden dakkapellen aangekapt met een dakhelling van minimaal 25 graden.
  • - De hoogte van de dakkapellen is groter dan de breedte (staand, maximaal 1,50 meter), tenzij:
    • - er sprake is van aangekapte dakkapellen;
    • - de architectuur of de aansluiting op bestaande dakkapellen aanleiding geeft om dakkapellen te schakelen;
    • - het een orde 4 pand betreft, waarbij de breedte groter mag zijn dan de hoogte (liggend, maximaal 3 meter).
  • - De gezamenlijke breedte van de dakkapellen binnen hetzelfde dakvlak is maximaal 1/3 van de breedte van het dakvlak.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De voorzijde van dakkapellen bestaat grotendeels uit glas (panelen zijn ondergeschikt).
  • - De zijwangen worden uitgevoerd in donker, gebroken wit of zinkgrijs.

b2 Dakramen

Algemeen

  • - Aantal, grootte, vorm en positie van de dakramen worden afgestemd op reeds geplaatste dakramen, mits deze voldoen aan de hier gestelde criteria.

Ligging en plaatsing

  • - Meerdere dakramen in één dakvlak zijn identiek, in een horizontale lijn geplaatst en bescheiden van afmeting.
  • - In het geval van een extra kapverdieping op hoofdgebouwen van orde 4 is een dakraam boven een bestaand dakraam mogelijk is volgens dezelfde afmetingen als het bestaande dakraam.
  • - In het geval van een extra kapverdieping op hoofdgebouwen van orde 4 is een dakraam boven een bestaande dakkapel mogelijk. De breedte van het dakraam bedraagt dan niet meer dan de breedte van de dakkapel.
  • - De afstand tussen dakramen in hetzelfde dakvlak is ten minste 2 dakpannen.
  • - De afstand van dakramen tot de dakvoet, de nok en de zijkant van het dakvlak bedraagt ten minste 0,5 meter.
  • - De afstand van dakramen tot de haaks erop staande gevel, de scheidingsmuur tussen panden en/of de zijkant van het dakvlak bedraagt ten minste 1/5 van de breedte van het dakvlak, met een minimum van 1 meter.
  • - Dakramen worden in het dakvlak en onder dezelfde hellingshoek als dat dakvlak geplaatst.

Aanvullend, voor dakramen in naar openbaar gebied gekeerde dakvlakken:

  • - Dakramen in naar openbaar gebied gekeerde dakvlakken sluiten in uitvoering en vormgeving aan bij de historische karakteristieken en beeldkwaliteit van de binnenstad.
  • - Dakramen op hoofdgebouwen die als orde 1 en orde 2 worden uitgevoerd in klein formaat (4 of 6 pans).
  • - Maximaal 1 dakraam per 5 meter breedte van het dakvlak op hoofdgebouwen van orde 1 en 2.
  • - De gezamenlijke breedte van de dakramen binnen hetzelfde dakvlak op hoofdgebouwen van orde 3 en 4 bedraagt niet meer dan 1/3 van de breedte van het dakvlak.

Aanvullend, voor dakramen in niet naar openbaar gebied gekeerde dakvlakken:

  • - In het geval van een extra kapverdieping op hoofdgebouwen van orde 1, orde 2 of orde 3 is een dakraam in klein formaat (4 of 6 pans) boven een bestaand dakraam of een bestaande dakkapel toegestaan.
  • - De gezamenlijke breedte van de dakramen binnen hetzelfde dakvlak bedraagt niet meer dan 1/3 van de breedte van het dakvlak.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Dakramen worden uitgevoerd in hout, gietijzer of staal.
  • - Kleurgebruik is terughoudend, bij voorkeur zinkgrijs.

b3 Dakterrassen en dakhuizen

Algemeen

  • - Dakterrassen zijn alleen toegestaan als zij de kwaliteiten van het dakenlandschap en de architectuur- en bouwhistorische en stedenbouwkundige waarden van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig aantasten.
  • - Dakterrassen kunnen alleen worden toegestaan op panden van orde 2, 3 of 4.

Ligging en plaatsing

  • - De toegang van de dakterrassen bestaat uit een dakluik, dakkoepel of dakhuis of uit een deur op de eerste verdieping van het hoofdgebouw, mits de architectonische en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.
  • - Hekwerken mogen vanuit de openbare ruimte niet zichtbaar zijn.
  • - Hekwerken hebben een hoogte van maximaal 1 meter, gemeten vanaf het dakvlak.
  • - Hekwerken worden op ten minste 2,50 meter afstand van de dakrand gesitueerd.
  • - Dakhuizen worden op de achterste helft van het dak gerealiseerd, op ten minste 2 meter uit de dakrand.
  • - Dakhuizen hebben een hoogte van maximaal 1,50 meter.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Hekwerken worden rank en onopvallend vormgegeven en sluiten aan bij het karakter van het stadsgezicht.
  • - Hekwerken worden uitgevoerd in houten of metalen ‘open-spijlen-hekwerk’ in een donkere kleur.
  • - Hekwerken worden transparant uitgevoerd.
  • - Dakhuizen worden in materiaal en kleur ingetogen uitgevoerd.

b4 Dakloggia´s

Algemeen

  • - Dakloggia’s zijn alleen toegestaan op panden van orde 4, daar waar zij de cultuurhistorische kwaliteiten van het dakenlandschap niet aantasten.Dakloggia’s zijn in een achterdakvlak of zijdakvlak gebouwd en niet zichtbaar vanaf de openbare weg.
  • - Per dakvlak van een hoofdgebouw mag ten hoogste één dakloggia worden gebouwd.
  • - Combinaties van dakkapellen, dakvensters en dakloggia´s zijn niet toegestaan.

Ligging en plaatsing

  • - Dakloggia’s worden centraal in het dakvlak gebouwd, tenzij de indeling van de gevel, de zichtbaarheid vanuit het openbare gebied en/of de positie van al eerder gebouwde dakloggia’s of dakkapellen in hetzelfde bouwblok of in een vergelijkbare situatie aanleiding geven tot een andere positie.
  • - De breedte van de dakloggia’s mag niet meer bedragen dan de helft van de breedte van het dakvlak.
  • - De hoogte van de dakloggia’s mag niet meer bedragen dan de helft van de hoogte van het dakvlak.
  • - Elementen van de dakloggia mogen niet buiten het dakvlak uitsteken.
  • - De afstand van de dakloggia tot de dakvoet is ten minste 2 dakpannen, tot de nok ten minste 0,5 meter.
  • - De afstand van de dakloggia tot de zijkant van het dakvlak is tenminste 1/5 van de breedte van het dakvlak, met een minimum van 1 meter.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Hier moet nog iets over materialisering en kleur worden toegevoegd.

cAan- en uitbouwen, achterhuizen, bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Typerend voor de binnenstad is de toepassing van het gesloten bouwblok, opgebouwd uit een fijnmazige verkavelingsstructuur met smalle perceelsmaten. De binnenterreinen zijn vanuit de openbare ruimte nauwelijks zichtbaar. Aan de randen van de binnenstad bevinden zich half open bouwblokken, waardoor de binnenruimten visueel onderdeel uitmaken van aansluitende groenstructuur. Vanwege het belang van de vanuit de openbare ruimte zichtbare terreinen voor de verschijningsvorm van de binnenstad hebben we aanvullende criteria opgenomen.

Algemeen

  • - De gekartelde achtergevelrooilijn en het open (groene) karakter van de kern van de (binnen)tuinen blijft behouden.
  • - Monumentale (binnen)tuinen worden gehandhaafd.

Ligging en plaatsing

  • - Bouwwerken en aanpassingen laten het zicht op de hoofdbebouwing zoveel mogelijk open.
  • - Bouwwerken worden waar mogelijk aan de zijkant van het perceel gesitueerd.

Massa en hoofdvorm

  • - Een bouwwerk is in maat, architectuur en detaillering ondergeschikt aan de hoofdbebouwing.
  • - Een bouwwerk bezit één bouwlaag, afgedekt met een kap met een dakhelling en dakvorm overeenkomstig het hoofdgebouw. Schijnkappen zijn niet toegestaan.
  • - Een overkapping bestaat uit één bouwlaag en bezit zoveel mogelijk gesloten wanden.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De gevels zijn van metselwerk, licht getint pleisterwerk of (gepotdekseld) hout.
  • - De gevels zijn bij voorkeur voorzien van ramen.
  • - De materialisering en profilering van kozijnen, ramen en lijsten zijn passend bij de architectuur van het hoofdgebouw.
  • - Ramen bevatten alleen transparant glas.

c1 Bijbehorende bouwwerken in Muurhuistuinen en/of vanaf de openbare weg zichtbare tuinen

Algemeen

  • - De rooilijn van de achtergevels behoudt zijn oorspronkelijke verspringende karakter.
  • - Het open, groene karakter van de karakteristieke muurhuistuinen blijft gehandhaafd.
  • - De zichtlijn op het hoofdgebouw blijft behouden.
  • - Per tuin is maximaal één klein, goed ingepast bijbehorend bouwwerk toegestaan.

Ligging en plaatsing

  • - Een bijbehorend bouwwerk wordt aan de zijkant van het perceel gebouwd, afhankelijk van de situatie op de naastgelegen percelen.

Massa en hoofdvorm

  • - Een bijbehorend bouwwerk wordt afgedekt met een kap.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De gevels zijn uitgevoerd in metselwerk, pleisterwerk of (gepotdekseld) hout in donkergroen of zwart.
  • - De dakvlakken zijn voorzien van keramische pannen.

dToegevoegde bouwonderdelen d1 Erfafscheidingen

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Erfafscheidingen zichtbaar vanuit de openbare ruimte zijn in vormgeving ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
  • - Erfafscheidingen met de daarin opgenomen hekken, poorten en deuren zijn zorgvuldig gedetailleerd.
  • - Erfafscheidingen zijn uitgevoerd in duurzame materialen als baksteen, hout of smeedijzer of combinaties daarvan.
  • - Erfafscheidingen zijn uitgevoerd in donkere kleuren.
  • - Hekwerken mogen worden uitgevoerd in staal of vergelijkbare moderne materialen, mits rank gedetailleerd en gecoat in een passende kleur.

d2 Luiken, rolluiken en -hekken

Algemeen

  • - Historische luiken worden alleen toegepast bij panden waar deze oorspronkelijk aanwezig waren en/of waar deze passend zijn bij de architectuur.

Ligging en plaatsing

  • - Rolhekken en rolluiken worden inpandig aangebracht.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Rolhekken en rolluiken worden zo transparant mogelijk uitgevoerd, zodanig dat de etalage en de daarin uitgestalde producten zichtbaar blijven.
  • - Indien de rolluiken en rolhekken alleen aan de buitenzijde kunnen worden geplaatst, dan worden deze 80% transparant en geïntegreerd in de gevel uitgevoerd. Belangrijke architectuuronderdelen worden niet permanent aan het zicht onttrokken.

d3 Zonweringen (zonneschermen en markiezen)

Algemeen

  • - Zonweringen worden alleen geplaatst indien dit passend is bij de architectuur van het pand.
  • - Zonweringen zijn inklapbaar of oprolbaar.
  • - Zonweringen onttrekken geen belangrijke architectuuronderdelen permanent aan het zicht.
  • - Per gevel van een pand of architectonische eenheid is de zonwering gelijk van soort, vorm en kleurpatroon.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Zonweringen vallen in gesloten toestand binnen de neggen (m.u.v. markiezen).
  • - Zonweringen overschrijden in uitgeklapte/-gerolde toestand de bouwgrens met maximaal 2,5 meter, met een maximum van 1/5 van de straatbreedte.
  • - Zonwering wordt uitgevoerd in mat doek in een egale, terughoudende kleur of maximaal twee egale, terughoudende kleuren in een verticaal streeppatroon.

d4 Gevelverlichting

Algemeen

  • - Gevelverlichting is ondergeschikt aan de hoofdmassa en is in vormgeving en formaat uiterst terughoudend.
  • - Het lichtbeeld is zacht en vriendelijk met warm-wit licht.
  • - Armaturen die de bovenverdieping aanlichten zijn conform het standaardtype van de betreffende straat.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Armaturen en de uithouder hebben een hoogwaardige vormgeving.
  • - Bekabeling wordt in de gevel weggewerkt.

d5 Installaties

Algemeen

  • - Technische installaties op daken en aan gevels zijn bij voorkeur niet zichtbaar vanuit het openbaar gebied.
  • - Kasten en andere elektriciteits- en/of nutsvoorzieningen hebben een maximale omvang van 0,04 m2.

Ligging en plaatsing

  • - Toegevoegde bouwonderdelen worden zo laag mogelijk in het dakvlak geplaatst, op zo groot mogelijke afstand van de dakrand.
  • - Rookgasafvoeren worden gecombineerd in een verzamelkap.
  • - Lifthuizen mogen niet boven de kap uitsteken.

d6 Zonnepanelen en zonnecollectoren

Ligging en plaatsing

  • - Zonnepanelen en -collectoren zijn alleen toegestaan op platte daken en zijn onzichtbaar vanuit de openbare ruimte.
  • - Wanneer meerdere zonnepanelen en/of -collectoren worden geplaatst, worden deze in een regelmatig horizontaal en/of verticaal patroon gerangschikt.
  • - De voor het opslaan van water of voor de opwekking van elektriciteit noodzakelijke installaties worden inpandig gesitueerd.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De omrandingen van zonnepanelen en -collectoren wordt in zwart, antraciet of donkergrijs uitgevoerd.
  • - De kleur van zonnepanelen en -collectoren sluit aan bij de kleur van de ondergrond (geen contrast).

d7 Trappenhuizen

Algemeen

  • - Toegevoegde trappenhuizen worden waar mogelijk inpandig gesitueerd.
  • - Bordestrappen sluiten aan bij de architectuur van het hoofdgebouw.
  • - Bij voorkeur worden ladders en/of klimbeugels in plaats van vluchttrappen toegepast.

Ligging en plaatsing

  • - Toegevoegde trappenhuizen liggen aan de achterkant van de hoofdgebouwen en zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - Toegevoegde trappenhuizen worden zo slank en rank mogelijk gedetailleerd in een terughoudende architectuur, ondergeschikt aan de hoofdmassa van het gebouw.
  • - Vluchtbalkons zijn zo beperkt mogelijk in aantal en zijn zo transparant mogelijk uitgevoerd.
  • - Trappenhuizen, ladders en balkons worden uitgevoerd in duurzame materialen, zoals baksteen, hout of staal.
  • - Trappenhuizen, ladders en balkons worden in donkere kleuren of lichte grijstinten uitgevoerd, afgestemd op de aangrenzende muur.

Rijksbeschermde stadsgezichten, Bergkwartier - legenda

b.Bergkwartier

1| Beschrijving

Villapark het Bergkwartier bevat in zijn hoofdstructuur de kenmerken van de Engelse landschapsstijl. Het karakter van het gebied wordt bepaald door de opmerkelijke hoogteverschillen en door de dominante groenstructuur, die de verschillende deelgebieden met elkaar verbindt. Opvallend is de ligging van de ontsluitende wegen haaks op de hoogtelijnen en de gebogen woonstraten die met de hoogtelijnen meelopen. Tuinen en het openbaar gebied vormen ruimtelijk één landschapspark, waarin de gebouwen als objecten zijn geplaatst. Zichtlijnen zorgen voor een duidelijke relatie tussen bebouwing en omgeving.

Het noordoostelijk deel van het Bergkwartier bestaat uit een samenhangende planmatige verkaveling met veel, op korte afstand van elkaar gebouwde dubbele villa’s van twee bouwlagen met kap. Deze panden, veelal in eclectische stijl en met details in baksteenornamentiek staan op tamelijke kleine percelen, van de openbare weg gescheiden door van oorsprong smeedijzeren hekwerken. Een aparte enclave in het noordelijke villagebied wordt gevormd door het complex middenstandswoningen van rond 1920 in de omgeving van de Borgesiuslaan. Dit complex bevat stijlelementen van de Amsterdamse

school door toepassing van hoge gewelfde rieten kappen. Eveneens opmerkelijk in dit deel is de verkaveling opde hoeken: de veelal dubbele woningen staan op de diagonaal van het kruispunt of de splitsing van wegen.

In het middengebied tussen Utrechtseweg en Prins Frederiklaan zijn de grotere villa’s gebouwd op grote percelen. Aan de woonstraten zijn de percelen en ook de bebouwing van geringere omvang. Er zijn zowel villa’s als landhuizen gebouwd van twee bouwlagen met indrukwekkende kappen. Traditionele materialen zoals rode baksteen en kappen met gebakken pannen of riet overheersen het beeld en zorgen voor een goede aansluiting bij het landschappelijke karakter van het villapark. In een beperkt aantal gevallen zijn de bouwmassa’s plat afgedekt, waarbij de groenstructuur voor de vereiste samenhang zorgt.

In het gebied hebben ook grotere complexen een plaats gekregen, veelal door zichtassen met het gebied en de groenstructuur verankerd. Voorbeelden zijn het voormalig Rijks Opvoedingsgesticht voor Jongens uit 1908, de voormalige HBS (1914), het Belgenmonument (1916-1918), het school- en kloostercomplex Onze Lieve Vrouw ter Eem (1931), het voormalig gynmasium (1931-1933) en het voormalig Constantinianum (1954). De torens van de complexen vormen belangrijke oriëntatiepunten.

Onderdeel van het beschermde gebied is het bosgebied Klein Zwitserland (36 hectare). Het bos ligt op de Heuvelrug, 40 meter boven NAP. Het maakt deel uit van beschermd Stadsgezicht Bergkwartier. Er zijn vrij grote hoogteverschillen. Enkele delen bestaan uit eikenspaartelgenbos. Tot 1920 is een deel van Bosgebied Berg voor zand- en grindwinning gebruikt. Begin dertiger jaren van de twintigste eeuw werd het gebied in het kader van de werkverschaffing ingericht als wandelgebied. Binnen het gebied bevindt zich het hoogste punt van Amersfoort, de Galgenberg. Verderop in de wijk ligt het Limvioveld dat wordt gebruikt als evenemententerrein.

Aandachtsgebieden

Binnen het rijksbeschermd stadsgezicht Bergkwartier bevinden zich verschillende rijksmonumenten. Daarnaast zijn de Barchman Wuytierslaan, Utrechtseweg, Koningin Wilhelminalaan, Emmalaan, Vondellaan en Daam Fockemalaan aangemerkt als structuurlijn. De beeldbepalende betekenis van deze structuren voor de stad vormt een extra aandachtspunt bij de welstandsbeoordeling. Zie ook de algemene omschrijving in paragraaf 4.1 en de op de kaart weergegeven aandachtsgebieden.

2| Dynamiek en ambitie

Het Bergkwartier is aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht. De oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet en architectonische vormgeving zijn richtinggevend voor wijzigingen in het straatbeeld, de verkaveling, de gevels, detaillering, kleur en materiaalgebruik. De lommerrijke bosrijke omgeving van het Bergkwartier zorgt niet alleen voor een aantrekkelijke woonomgeving, maar versluiert ook een groot deel van de aanwezige bebouwing. Tezamen met vaak royale kavels zorgt dit ervoor, dat het gebied een grote mate van bebouwingsvariatie in zich kan dragen zonder dat dit het bebouwingsbeeld aantast, mits ervoor wordt gezorgd dat de groenstructuur en het groene karakter van de percelen in voldoende mate wordt bewaard.

De toetsing van ingrepen en nieuwe bouwwerken aan redelijke eisen van welstand is in het Bergkwartier aanvullend ten opzichte van de kwalitatieve bescherming die de Monumentenwet (stadsgezichten; monumenten) en het bestemmingsplan kunnen bieden.

3| Gebiedsgerichte criteria

Algemeen

  • - De bestaande gebouwde omgeving met zijn overwegend fijnmazige, korrelgrootte is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwinitiatief.
  • - De samenhang tussen de groenstructuur van het openbaar gebied en particuliere tuinen is dominant.
  • - Kunstuitingen, zichtbaar vanuit de openbare ruimte, passen bij de kenmerken van het beschermd stadsgezicht en worden voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed.

Ligging en plaatsing

  • - De plaatsing van de bouwwerken is overeenkomstig de bestaande situering en organisatie op het perceel in relatie tot de groene inrichting en de openbare weg.
  • - Bebouwing is georiënteerd op de weg.
  • - Bebouwing staat op enige afstand van de openbare ruimte; een groene strook vormt de overgang van het perceel naar het villapark.
  • - Naast de villa geeft een groene strook zicht op de achtertuin.
  • - Bijbehorende bebouwing is ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Massa en hoofdvorm

  • - De bouwmassa is afgestemd op de oorspronkelijke parcellering.
  • - Bebouwing heeft een hoofdvorm en massa die corresponderen met de omgeving wat betreft parcellering en geleding.
  • - De bouwmassa is voorzien van een kap.
  • - Maatvoering en verhouding is gerelateerd aan belendingen.
  • - De situering van aan- en uitbouwen en van bijgebouwen is ondergeschikt aan die van het hoofdgebouw.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De bestaande ornamentiek en specifieke details worden bij verbouwingen gerespecteerd.
  • - Detaillering en materiaalgebruik zijn hoogwaardig door het toepassen van natuurlijke materialen of daaraan gelijkwaardig modern bouwmateriaal.
  • - Kleurgebruik is terughoudend en afgestemd op de omgeving: doorgaans in aardkleuren, (gebroken) wit of naturel voor de hoofdmassa.
  • - Materiaalgebruik correspondeert met dat in de omgeving.
  • - Erfafscheidingen door middel van (smeed-)ijzeren hekken, bakstenen muurtjes en/of hagen.

Bebouwing langs oude linten - legenda