1| Beschrijving
Aan de bebouwingslinten is de geschiedenis van de stad afleesbaar. Ze zijn van belang voor de identiteit, ruimtelijke kwaliteit en begrijpelijkheid van het stadsdeel waarin ze liggen. Aan deze bebouwingslinten staat een historisch gegroeide diversiteit aan functies en bebouwing, georiënteerd op de weg. Grofweg kunnen we het karakter van de historische bebouwingslinten in twee soorten verdelen.
De agrarische bebouwingslinten en de daarop georiënteerde dorpen zijn in de loop van de twintigste eeuw door de uitbreidende stad opgenomen. Het oorspronkelijke karakter van deze agrarische bebouwingslinten is echter op veel plaatsen nog altijd af te lezen aan het kleinschalige (‘dorpse’) karakter van de bebouwing: op het lint georiënteerde bouwwerken van één, maximaal twee bouwlagen met zadel- of mansardekap waarvan de nokrichting haaks op de weg staat. De architectuur is in het algemeen traditioneel te noemen. De rooilijnen liggen binnen kleine marges evenwijdig aan de straat en veelal op enige afstand van de weg. Uitzonderingen op dit beeld komen op kleine schaal voor, zo hebben winkelgebieden en bedrijfspanden aan de linten een meer stedelijke uitstraling.
Hoe meer de bestaande ruimte tussen en voor de huizen wordt ingericht als groene tuin, hoe sterker de ontspannen sfeer van de agrarische linten. Hagen en transparante erfafscheidingen die het zicht op de tuinen vrijlaten, dragen hieraan bij.
Een aantal fragmenten van de oude bebouwingslinten is nog herkenbaar in de nieuwste wijken en verwijzen naar het vroegere landschap.
De binnenstad van Amersfoort is altijd verbonden geweest met zijn omgeving door de radialen. Vanaf de radialen zorgt het zicht op de OLV toren voor oriëntatie. Over het algemeen staat de eerste, oudste bebouwing aan de radialen nabij de binnenstad. Naast de ontstane verdichting en verscheidenheid zijn de oriëntatie op de weg, de afleesbare parcellering en de rooilijnen karakteristiek. Aaneengesloten bebouwing staat in de rooilijn, zonder voortuin. Opener bebouwing kan lichte verspringingen in de rooilijn en een voortuin hebben. Veelal bestaat de bebouwing uit twee bouwlagen, al dan niet met kap. Op plekken is er sprake van functiemenging, waardoor extra levendigheid of schaalvergroting is ontstaan, soms ten koste van de oorspronkelijke parcellering. De ontstane verscheidenheid aan reclame-uitingen langs deze entreewegen zorgen voor een verrommeld beeld.
Aandachtsgebieden
In dit gebiedstype zijn de Hamseweg / Zevenhuizerstraat, Liendertseweg, Soesterweg, Leusderweg, Arnhemseweg en de Hogeweg aangemerkt als structuurlijn. Langs deze structuurlijnen is deze representatieve betekenis van bouwwerken mede bepalend voor de welstandsbeoordeling. Ze dragen bij aan de oriëntatie binnen het stedelijk weefsel. Daarnaast zijn delen van de bebouwing aan de Soesterweg en de Leusderweg onderdeel van gemeentelijk beschermde stadsgezichten. De beeldbepalende rol voor de stad vormt een extra aandachtspunt bij de welstandsbeoordeling. Zie ook de algemene omschrijving in paragraaf 4.1 en de op de kaart weergegeven aandachtsgebieden.
2| Dynamiek en ambitie
Uitgangspunt is het herkenbaar houden en/of herstellen van de historische routes, linten en kernen, het tegengaan van schaalvergroting in een niet passende omvang en het vasthouden aan het bindende element: eenheid in verscheidenheid, de afleesbare ontstaansgeschiedenis, de rooilijn en de continue openbare ruimte (de weg of de straat). De (grote) diversiteit in bebouwing aan de linten maakt het mogelijk om bij nieuw- of verbouw nieuwe ontwikkelingen toe te staan. Daar waar het gaat om betrekkelijk gave lintbebouwing, is een wat voorzichtiger aanpak wenselijk. Met alle ingrepen en toevoegingen wordt het architectuurniveau van het pand geëvenaard en bij voorkeur verhoogd. Dit geldt ook voor de reclamevoering en eventuele erfafscheidingen. De stadsbouwmeester toetst altijd of het bouwplan bijdraagt aan de sfeer en kwaliteit van het hele lint/radiaal.
3| Gebiedsgerichte criteria
Algemeen
- - De bestaande gebouwde omgeving is het minimale kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwinitiatief.
- - Gebouwen moeten zich voegen in de (oorspronkelijke) ritmiek van parcellering, kleuren, materialen, bouwstijlen en kapvormen in het lint/de radiaal.
Ligging en plaatsing
- - Plaatsing en oriëntatie van het bouwwerk zijn overeenkomstig de historische parcellering en richting.
- - Bebouwing is met de entree en gevelopeningen georiënteerd op de belangrijkste openbare ruimte.
- - Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm en staan in een ondergeschikte positie.
- - Gebouwen hebben geen blinde gevels aan zijden die grenzen aan het openbaar gebied.
Massa en hoofdvorm
- - Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm, m.u.v. 19e eeuwse bebouwing.
- - Bebouwing heeft een individuele uitstraling (per bouwblok).
- - Maat, schaal en verhoudingen van gevels in overeenstemming met de omringende oorspronkelijke bebouwing.
Detaillering, kleur- en materiaalgebruik
- - Bij winkels en kleine bedrijven die de onderverdieping van meer panden gebruiken, blijven de afzonderlijke panden herkenbaar of wordt hersteld.
- - De bestaande ornamentiek en specifieke details worden bij verbouwingen en uitbreidingen gerespecteerd.
- - Bij nieuwbouw wordt een verfijnde detaillering en afwerking toegepast.
- - Kleur- en materiaalgebruik is bij de complexgewijs opgezette bebouwing gerelateerd aan belendingen en/of het bouwblok.
Stadsuitleg eind 19e en begin 20e eeuw - legenda