1| Beschrijving

Aan het begin van de 20e eeuw ontstond meer aandacht voor de manier waarop arbeiders waren gehuisvest. Er werden dorpen en wijken gebouwd waarin de kwaliteit van de huisvesting en een groene woonomgeving centraal stonden. De in de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw volgens deze ‘tuinstadgedachte’ gerealiseerde stadsuitleg is nog altijd goed zichtbaar in Amersfoort. Zo werden onder andere vanaf de jaren ’20 delen van het Bergkwartier voor welgestelden (zie beschermd stadsgezicht 1B) ontwikkeld, het Soesterkwartier en Kruiskamp voor de arbeiders en het Leusderkwartier voor de middenstand ontwikkeld. Met de bouw van deze wijken werden ook voorzieningen aangelegd als scholen en winkels (“het winkeltje op de hoek”).

Het stedenbouwkundig patroon van de wijken bestaat overwegend uit een traditioneleblokverkaveling, met zorgvuldig ontworpen, architectonische en sociale eenheden. Enerzijds ingevuld met woningbouwcomplexen van de vroege tuindorpstijl (‘volkswoningbouw’), anderzijds met de voor die tijd kenmerkende middenstandswoningen.

Diverse wooncomplexen worden gekenmerkt door hun ruime, groene opzet rond parken en pleintjes en het kleinschalige karakter van de grondgebonden bebouwing in één of enkele bouwlagen met (steile) zadel- of mansardedaken. Bouwvolumes hebben een regelmatige opbouw van hoogteaccenten, kapvormen en verspringingen en gevelindelingen. Hierdoor wordt de kop, het midden, de staart en bijzondere plekken van het complex benadrukt.

De oorspronkelijke middenstandswoningen zijn rijwoningen of twee-onder-een-kapwoningen. De woningen bestaan voornamelijk uit twee bouwlagen met een zadeldak of trapeziumvormige kap. Kenmerkend voor de daken zijn de nokrichting overwegend evenwijdig aan de straat, gebakken rode of donkere pannen, zinken goten en dakoverstekken. Houten erkers, dakkapellen en ambachtelijk gemaakte onderverdeelde houtenkozijnen en ramen zijn voorzien van gebroken wit schilderwerk. De bakstenen hebben natuurlijke rustige tinten. Soms zijn er metselwerkversieringen en omlijstingen en integraal ontworpen plantenbakken.

Kenmerkend voor dit gebiedstype zijn de stedenbouwkundige en architectonische eenheid. Het individuele huis, de huizenrij, het straatprofiel en de ordening van straten zijn één ontwerp van hoog ambachtelijk niveau, met uniforme kenmerken. De architectonische eenheid bestaat uit forse kappen met gebakken dakpannen, daklijsten, schoorstenen, bakstenen gevels met details en houten kozijnen. Verbijzonderingen in bouwmassa zijn gerelateerd aan de stedenbouwkundige setting en hiërarchie van de openbare ruimte. Variatie in de tuinstedelijke bebouwing is aangebracht in de horizontale gevelgeleding door toepassing van topgevels (met de nokrichting haaks op de weg) en houten accenten. Daarnaast zijn hoekwoningen meestal zorgvuldig ontworpen, zodat ook de zijkant een ‘gezicht’ naar de openbare ruimte heeft gekregen. Zijtuinen met hoge erfafscheidingen kunnen daarbij verstorend werken en blijven aandachtspunt voor de welstandstoets.

Huizen hebben vrijwel altijd een voortuin, oorspronkelijk voorzien van een tuinmuur of tuinhaag. Deze overgang tussen privé en openbaar gebied is van grote invloed op het straatbeeld.

Aandachtsgebieden

Binnen dit gebiedstype zijn enkele gemeentelijk beschermde stadsgezichten en architectonisch waardevolle gebieden gelegen. Dit betreft o.m. het Anjerplein, (Soesterkwartier), Kruiskamp, De Ruyterstraat / Trompstraat, Van Ostadeplein, Hobbemastraat, Zwaanstraat e.o., Sumatrastraat e.o. en Ternatestraat e.o.

Daarnaast is de representatieve betekenis van enkele structuurlijnen aanleiding voor extra aandacht bij de welstandsbeoordeling. Dit betreft de Stadsring, Utrechtseweg, Leusderweg, Kersenbaan, Hendrik van Viandenstraat, Vermeerstraat, Noorderwierweg, Soesterweg, Liendertseweg en de Vondellaan-Daltonstraat- Everard Meysterweg-Gasthuislaan. Zie ook de algemene omschrijving in paragraaf 4.1 en de op de kaart weergegeven aandachtsgebieden.

2| Dynamiek en ambitie

De kwaliteit van het ontwerp is vooral herkenbaar in de keuze van de materialen, de belijning en de zorg voor details. Binnen dit gebiedstype ligt de nadruk op behoud van het collectieve karakter en de eenheid van de wijk, buurt, straat (inclusief overgang privé-openbaar). Verstoring van deze samenhang door individuele renovatie of wijziging van woningen is ongewenst. In wijken met meer diversiteit is meer vrijheid voor individuele aanpassingen.

Binnen dit gebiedstype zijn delen aangewezen als beschermd stadsgezicht. Behoud en zonodig herstel van de oorspronkelijke waarden is dan het uitgangspunt. De toetsing van ingrepen en nieuwe bouwwerken aan redelijke eisen van welstand is aanvullend ten opzichte van de kwalitatieve bescherming die de Monumentenwet (stadsgezichten; monumenten) en het bestemmingsplan kunnen bieden.

Scholen, kerken of andere bijzondere gebouwen mogen vanwege hun functie of eigen kwaliteit in bijvoorbeeld voorkomen of omvang afwijken van de woningen. Wel moeten ze zoveel mogelijk de kenmerken van het grotere geheel dragen, zodat ze bijdragen aan de eenheid binnen de categorie. Voor winkels en andere bedrijven die hun producten of naam willen exposeren, is uiterste terughoudendheid vereist en grote zorg en aandacht voor materialen en vormgeving.

Voor deze gebieden is er voor het verduurzamen van de woningvoorraad een uitdaging: vooral bij deze woningen is er winst te behalen door het omzetten naar Nul op de meter woningen (NOM). Hierbij blijft het behoud van de oorspronkelijke samenhang en zorgvuldige architectonische detaillering het voornaamste aandachtspunt.

3| Gebiedsgerichte criteria

Algemeen

  • - De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder bouwinitiatief.

Ligging en plaatsing

  • - Bebouwing is georiënteerd op de weg of de belangrijkste openbare ruimte.
  • - Geen aantasting van doorgaande straatprofielen.
  • - Zorgvuldig ontworpen hoekwoningen ondersteunen de stedenbouwkundige hiërarchie.

Massa en hoofdvorm

  • - Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm.
  • - De nokrichting is evenwijdig aan de weg, met uitzondering van kopgevels en verbijzonderingen in het dak ter ondersteuning van de stedenbouwkundige setting.
  • - De situering en massa/vorm van aan- en uitbouwen en van bijgebouwen is ondergeschikt aan die van het hoofdgebouw en passen binnen de bestaande maatverhoudingen.
  • - De vormgeving van de erkers, de ramen en de gevelbelijning sluiten aan bij de ritmiek in de straat.
  • - Dakkapellen hebben een daklijst en zijn in afmeting beduidend ondergeschikt aan het dakvlak.
  • - Tussenruimtes mogen niet zodanig worden bebouwd, dat de regelmaat aan de straatzijde verloren gaat.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • - De bestaande ornamentiek en specifieke details (ook in de aard en verschijningsvorm van de oorspronkelijke materialisering) worden bij verbouwingen gerespecteerd.
  • - Kleur- en materiaalgebruik is aan de straatzijde gerelateerd aan belendingen en/of het bouwblok.
  • - Aan- en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur- en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw.
  • - Bij panden waarvan de tuin aan openbaar gebied grenst is de erfafscheiding groen of een muur van hetzelfde materiaal als de gevel.

Wederopbouw in bloembladconcept - legenda