In de gehalten PFAS is geen ruimtelijke structuur aangetroffen. Verspreid over de gehele regio worden wel plaatselijk iets hogere waarden aangetroffen maar gezien de zeer lage normen wijst dit niet op grote heterogeniteit. De normen hebben namelijk invloed op de heterogeniteitsberekening. Indien die hoger waren geweest dan was er waarschijnlijk sprake van een homogeen voorkomen van PFAS.
Er zijn geen onverwachte puntbronnen aangetroffen bij dit onderzoek. Op basis van het vooronderzoek was een pluim verwacht bij Twence, maar deze pluim is niet zichtbaar in de resultaten.
Ondanks de lage gehalten blijkt uit de statistische bewerking dat er een klein verschil is tussen de zones. Zo is over het algemeen te zeggen dat in bebouwd gebied hogere waarden worden aangetroffen. Op basis van bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat een andere indeling in zones niet nodig is.
Er is wel sprake van een verschil in aangetroffen waarden in de bovengrond (0-0,5 m -mv) en ondergrond (0,5 – 2,0 m -mv). In de ondergrond worden structureel lagere gehalten aangetroffen.
In tabel 4.1 zijn de P80-waarden opgenomen voor som PFOS, PFOA en de overige PFAS.
Tabel 4.1 P80 voor som PFOS, som PFOA en overige PFAS
In de bovengrond van de gebiedsgerichte zones Hengelo en Enschede en de zone Wonen overschrijdt de P80 van de som PFOS de voorlopige achtergrondwaarde (0,9 µg/kg d.s.). De som PFOA overschrijdt nergens de voorlopige achtergrondwaarde (0,8 µg/kg d.s.). In de ondergrond wordt de voorlopige tijdelijke achtergrondwaarde voor geen enkele parameter overschreden en voldoet de P80 van de ondergrond in de zone AW2000, en de gebiedsgerichte zone Hengelo zelfs aan de strengste toepassingsnorm van 0,1 µg/kg ds.
De onderzochte zandvangers zijn vergelijkbaar qua kwaliteit voor PFAS en voldoen aan de voorlopige achtergrondwaarden. In twee zandvangers in de categorie ‘Vrij toepasbaar’ is een gehalte aan PFOS aangetroffen boven de maximale toepassingsnorm van 3,0 µg/kg d.s. (namelijk 6,1 en 3,8 µg/kg d.s.). Ook zijn hier andere PFAS-parameters aangetroffen met een maximaal aangetroffen gehalte van 11 µg/kg d.s. voor N-methylperfluoroctaansulfonamide. Deze twee zandvangers liggen in hetzelfde stroomgebied hetgeen doet vermoeden dat er in dit gebied een PFAS-bron aanwezig is.
Belangrijk is te realiseren dat PFAS zich goed hecht aan slib. Dat maakt dat het steekproefsgewijs onderzoeken van zandvangers geen garantie geeft dat de overige zandvangers (niet onderzocht op PFAS in dit onderzoek) voor PFAS eenzelfde kwaliteit hebben.
Bij het opstellen van de percentielbladen (bijlage 5) zijn de twee, met PFOS verontreinigde, zandvangers uit de dataset gehaald omdat hiervoor de PFAS-kaart niet gebruikt kan worden. Deze locaties worden dus uitgesloten (zie hoofdstuk 5).