Een deel van de broekontginningen werd al vóór 1850 uitgevoerd of in gang gezet. Wellicht heeft dat te maken met de markedelingen die overwegend in de daarvoor liggende twee decennia plaatsvonden. Wat overweegt in de kleinschalige broekontginningen is het onregelmatig tot redelijk regelmatig verkavelde land, in gebruik als grasland en van perceelsrandbeplanting voorzien. Soms lagen deze gebieden in gebieden die geomorfologisch als een beekoverstromingsvlakte te kenmerken zijn. Dat illustreert het betrekkelijk natte karakter van de gebieden. Bebouwing ontbrak er merendeels, en is pas later tot stand gekomen in de gebieden waar we dit nu wel vinden. Feitelijk gaat het vooral om één groot gebied, namelijk het Gelselaarse Broek ten westen van Gelselaar tegen de gemeentegrens met Lochem (figuur 3.21). Alhoewel de perceelsrandbeplanting daar merendeels verdwenen is, is de kleinschalige structuur er nog goed herkenbaar. Daardoor heeft het uiteindelijk een relatief hoge waardering gekregen. Van de andere gebieden van dit type, die doorgaans heel gering van omvang waren, lichten we er alleen het Spilbroek bij Neede nog uit. Het broekgebied daar, tegen de bebouwde kom liggend en voor een deel overbouwd, is gedeeltelijk nog herkenbaar gebleven.