Het historisch wegennet van Berkelland is er één van een ongekende dichtheid. Een deel hiervan is ook nu nog aan te treffen; een belangrijk deel is echter verdwenen door de toenemende schaalvergroting van de late 20e eeuw. Een constante over alle eeuwen is echter het onderscheid tussen doorgaande wegen en wegen van lokale betekenis. Vanuit die invalshoek zullen we de gekarteerde wegen toelichten.

Doorgaande wegen

Over het grondgebied van de huidige gemeente Berkelland liep al in het verleden een groot aantal doorgaande routes van bovenlokale betekenis. Zo was het achterland via specifieke routes verbonden met de Hanzesteden, van waaruit per schip het transport verder verzorgd werd. Over Berkellands grondgebied liep de verbinding van Deventer via Borculo, Groenlo en Zwillbrock naar Dortmund. Deze route zou ook als Hessenweg gebruikt zijn.62Pieko, 1993: 65; Derks, 2008 Het internationale transport met hessenkarren liep vanaf 1660 ook via Zutphen, nadat een verdrag was gesloten tussen de stadsbesturen van Amsterdam en Zutphen om de Zwolse route naar Zutphen te verleggen.63Pieko, 1993: 78-79 Het Berkellandse deel van de oude route werd volledig in deze nieuwe route opgenomen. De weg bij de Lebbenbrugge bleef dus in gebruik (figuur 4.1). Via Vorden en Ruurlo liep een route die alleen in de zomer werd gebruikt. De aangegeven route door het Ruurlose Broek is niet precies met zekerheid bekend.64Derks, 2008 Er zou ook een route via Neede, Mallem, Rekken en Vreden hebben gelopen, waaraan herberg De Meijer in Neede lag, maar daarover zwijgen de detailstudies.65http://www.heerlijkheidborculo.nl/geschiedenis/de-berkel/; Derks, 2008 Daarnaast waren er in deze periode al andere oude routes, die de grote plaatsen met elkaar verbonden. De routes van Borculo naar Groenlo en naar Eibergen hebben we op kaart gezet.66Derks, 2008

Als uitvloeisel van ontwikkelingen in de Franse Tijd werden in de eerste helft van de 19e eeuw plannen gemaakt voor de aanleg van verharde straatwegen. Hiertoe behoort de straatweg van Zutphen naar Winterswijk, die vanuit Vorden via Ruurlo naar Groenlo liep (figuur 4.2). In 1826 werden hiervoor plannen gemaakt, en deze zijn ook uitgevoerd. Kenmerken van deze straatwegen waren de verharding, het beplantingsplan en de vaste maten.

De verbetering van de weg tussen Ruurlo en Borculo, waarvan de planning mogelijk al vóór 1827 in gang werd gezet, werd slechts gedeeltelijk en ook veel later uitgevoerd. Afsnijding van bochten nabij Ruurlo bleef definitief uit.67Gelders Archief, archief Rijkswaterstaat (kaarten), inventarisnummer 383 Later, in 1832, kwam ook de verbetering van de weg tussen Borculo en Neede nog aan bod. Deze verbetering werd ogenschijnlijk in zijn geheel uitgevoerd.68Gelders Archief, archief Rijkswaterstaat (kaarten), inventarisnummer 384

In het vervolg van de 19e eeuw en de vroege 20e eeuw lag de nadruk op de aanleg en verbetering van provinciale wegen. De provinciale wegen uit de periode 1853-1940 hebben we als doorgaande weg op de kaart opgenomen. Zowel aan deze weg als aan de rijksstraatwegen lagen tolposten, die we op de kaart hebben gezet. Overigens waren er ook gemeentelijke wegen die een doorgaande functie hadden en al vroeg ‘verhard’ waren, zoals de Vredenseweg tussen Groenlo en Zwillbrock.69De Kampioen, 31 juli 1914 Deze hebben we niet in het bijzonder op de kaart gemarkeerd.

Lokale routes

Het merendeel van de wegen in de gemeente Berkelland had echter vooral een (inter)lokale betekenis. Deze verbonden op zijn meest de dorpen met elkaar, maar meestal waren het de verbindingen tussen buurtschappen of van de boerderijen met de verschillende onderdelen van het agrarisch cultuurlandschap (figuren 4.3 en 4.4).

Beekdalen konden niet zomaar overal gepasseerd worden. Op specifieke plekken waren bruggen of voordes, verharde beekbodems waaroverheen kon worden gereden, aangebracht. De wegen liepen in dit soort situaties vaak naar één punt om na de beekpassage weer uit te waaieren. Ten zuidwesten van Neede heeft nog lang zo’n voorde bestaan, tot bij de verbetering van de weg Borculo-Neede na 1832 een brug werd gebouwd die heel toepasselijk de naam ‘De Nieuwe Brug’ kreeg. De bijnaam, Breevoordsbrug, verwijst nog naar de oude voorde.

Met name op de landgoederen kregen de wegen naast een nuts- ook een genotsfunctie. Wegen werden beplant met laanbomen, zoals de lanen vanuit Huis Ruurlo in westelijke richting. Veelal waren dergelijke lanen geen openbare wegen en was gebruik aan de kasteelheer voorbehouden. Pas in de 19e eeuw werden de lanen van Huis Ruurlo bij aanleg en verbetering van de weg Zutphen-Winterswijk in het openbare wegennet geïntegreerd.

Interessant is het onderscheid tussen zomer- en winterwegen. In het verleden waren sommige interlokale wegen ’s winters niet begaanbaar, waardoor men een hoger gelegen, maar minder directe route moest nemen. Een dergelijke situatie vinden we bij Ruurlo, waar de zomerweg naar Vorden via de Wiersseweg liep, en de winterweg over een bospad zuidelijk van de huidige Vordenseweg.70Keunen, manuscript

Openbare ruimte

Wegen kenden, met uitzondering van de bovengenoemde straatwegen, nog niet het vaste profiel zoals dat tegenwoordig van wegen bekendis. Alhoewel de meeste wegen wel een min of meer regelmatig verloop hadden, waaierden de wegen nabij de boerderijen vaak breed uit. Het verschil tussen de openbare ruimte rond de wegen en de wegen zelf was daar ook minder duidelijk. Men reed als het ware een brede open ruimte tussen de boerderijen op. In andere landstreken kennen we deze fenomenen ook wel als ‘brinken’, daar waar het begrip ‘brink’ in de noordoostelijke Achterhoek wel vaak op een privaat stuk grond nabij een boerderij betrekking had.71Keunen, manuscript

Kenmerkend voor Berkelland is dat veel van de openbare ruimtes nabij de boerderijen, soms ontstaan uit de laagte tussen dicht bij elkaar liggende dekzandruggen, al vóór 1832 verkaveld en verdeeld raakten. Niet zelden waren dit, zoals in Noordijk, de locaties waar keuterboeren hun boerderijtje bouwden, of vanuit een grotere boerderij een bijgebouw geplaatst werd. In Ruurlo zijn het vaak langgerekte laagtes tussen de dicht bij elkaar liggende dekzandruggen; de buurtschap Leussinkbrink ontleent er zijn naam aan.72Keunen, manuscript Op de kaart zijn ze niet afgebeeld, omdat een nauwgezette kartering nader onderzoek vraagt (zie bijlage 1).

Karrensporen

Moderne technieken maken het mogelijk heel fijn bodemreliëf op te sporen. Aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland hebben we nog aanwezige relicten van karrensporen in kaart gebracht en weergegeven. Deze vinden we vooral in de bossen, waar de minst ingrijpende bodembewerkingen hebben plaatsgevonden.