Er is een aantal veldnamen dat vrijwel rondom elke boerderij of elk huis gebruikt wordt, zoals ‘Achter ’t Hoes’. Hierbij kan ook gedacht worden aan: ‘Biej ’t Hoes, Veur ’t Hoes, ’t Land bie ’t Hoes of ’t Land veur ’t Hoes’. Ook werd (klein)vee vrijwel altijd dicht bij het huis gehouden, en lag daar ook de boomgaard en de moestuin. Daarom hebben ook veel percelen langs het huis namen als ‘Kalverweide’, ‘Varkensweide’, ‘Hof’, ‘Appelhof’, ‘Bongerd’, ‘Goardn’ of ‘Goarden’. ‘Woerd’, ‘Waard’, ‘Woord’, ‘Vree’, ‘Vrede’ en ‘Brink’ werden vaak gebruikt voor weideland of bouwland dat dichtbij huis lag. Een ‘Brink’ was in dit landschap vrijwel altijd een perceel voor agrarisch logistiek gebruik dat exclusief aan één erf verbonden was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld op de Veluwe en in Drenthe.

Behalve de veldnamen die specifiek gebruikt werden voor rondom het huis, zijn er natuurlijk veel meer veldnamen die regelmatig voorkomen rondom bepaalde structuren in het landschap. Zo zijn er rondom (voormalige) spoorlijnen vaak percelen die daarnaar genoemd zijn, zoals ‘Achter de Bane’, ‘Spoorweide’ of ‘de Spoorbane’. Er zijn ook verschillende percelen in de omgeving van de Berkel die ‘Ape’ worden genoemd. ‘Ape’ is een zeer oud watertoponiem. Een aantal keer komt ook de benaming ‘Karkhof’ of ‘Karkenstukke’ voor. Deze namen hebben er doorgaans betrekking op dat het perceel eigendom van de kerk was.

De meest voorkomende namen zijn echter namen die ontleend zijn aan de eigenaar, de functie of andere eigenschappen van het perceel. Deze veldnamen gerelateerd aan eigenaar of gebruiker beginnen vaak met: ’t Land van’, ‘Erve van’ of ’t Stukke van’, gevolgd door de naam van de eigenaar of de gebruiker. Indien percelen gebruikt werden als weide, hooiland, akker of bos is dit ook vaak wel af te lezen aan het toponiem. Voorbeelden zijn ‘Bosweide’, ‘Akkerweide’, ‘Heujweide’, ‘Graanveld’, ‘Bos’, ‘Kooweide’ of ‘Buske’. Vaak werden de naam van de eigenaar (of naam van boerderij waar het perceel bij hoorde) en de functie van een perceel ook gecombineerd wat resulteert in namen als ‘Dekkershof’, ‘Jansweide’, ‘Dinkelmansweide’, ‘Deugenweerddiek’ of ‘Kluversweideke’. Percelen kregen ook wel een naam toegewezen naar eigenschappen als vorm, ligging of grootte: ’t Lege Bos’, ’t Korte Stukke’, ‘Kleine Weide’, ‘Hoge Oever’, ‘Hook van de Kemper’ of ‘Dreetuutn’. Ook werden percelen regelmatig vernoemd naar lichaamsdelen van dieren, omdat het perceel erop zou lijken: ‘Peerdekop’, ‘Vossenstat’ en ‘Ganzenhals’. Voor plekken die afsteken bij de omgeving door kleurverschil wordt ‘Blik’ regelmatig als naam gebruikt.

Zoals hierboven al genoemd kregen percelen met een bepaalde bestemming als weiland of bos een bijpassende naam, maar veel namen zijn simpelweg een synoniem voor de betekenis van een bepaalde plaats.

Zo is een ‘Es’ of een ‘Enk’ een naam voor een plek die door de mens zelf is gecreëerd. Een ‘Kamp’ is een benaming voor een type ontginning, namelijk een omheind perceel, doorgaans akkerland. Zowel ‘Es’, ‘Enk’ en ‘Kamp’ komt voor als een op zichzelf staande naam, maar vaker in combinatie met een aanduiding die wat zegt over de vorm of de eigenaar. In plaats van ‘Kamp’ wordt ‘Kempke’ ook geregeld gebruikt. ‘Kempke’ werd dan gebruikt als naam van een kampontginning die niet zo groot was. Op de essen, enken en kampen worden losse percelen vaak aangeduid met ‘Stuk’ of ‘Bree’. ‘Bree’ slaat daarbij op de breedte. ´Perceel´ is ook een benaming die voornamelijk gebruikt werd in agrarisch cultuurland.

De naam ‘Maot’ of ‘Maote’ wordt regelmatig gebruikt als aanduiding voor weilanden (afgeleid van het werkwoord ‘maaien’, namelijk het land dat gemaaid moest worden voor de hooioogst) en ook ‘Pas’ is een gebruikelijke naam voor percelen die als weideland in gebruik zijn of zijn geweest. De betekenis van ‘Koppel’ is een weide die in gemeenschappelijk gebruik is of was. ‘Hof’ of ‘Höfte’ wordt niet alleen als benaming voor boerderijen, de bijbehorende tuin of omliggende percelen van boerderijen, maar ook voor bouwland gebruikt.

De naam ‘Kip’ leent zich af aan ofwel de vorm, of naar de betekenis: keep, kerf of inkeping. ‘Kloot’ of ‘Kleutjes’ kan zowel klomp, kluit of ‘stukje land’ betekenen, waarbij de derde betekenis het meest waarschijnlijk is. De betekenis van ‘Vruchte’ is omheining of omheind perceel. Voor ‘Park’ geldt dat de betekenis afgeperkt land of afgesloten ruimte is.

Namen waar ‘Barg’, ‘Belt’, ‘Berg’, ‘Bult(n)’, ‘Reef’ of ‘Pol’ in voorkomen zijn benamingen voor hoger gelegen delen of percelen waar veel hoogteverschillen in te zien zijn. Een ‘Haar’ of een ‘Klif’ is een zandrug of hooggelegen zandgrond in een gebied. Daar tegenover zijn ‘Brook’ of ‘Broeke’, ‘Mors’ of ‘Mos’ en ‘Slat’ namen voor lagergelegen percelen. Alleen een ‘Slat’ is daarbij een zodanig laaggelegen gebied dat er zelfs een waterplas aanwezig was. Voor uitgegraven gebieden werd vaak de naam: ‘Put’, ‘Putte’, ‘Gat’, ‘Kolk’ of ‘Koele’ gebruikt. Ook ‘Delle’ is een benaming voor een laagte. ‘Goor’, ‘Stroet’, ‘Zomp’ en ‘Vleer’ zijn enkele benamingen voor moerassige stukken grond. Deze gebieden waren zomers vaak droog, terwijl ze in de winter onder water stonden. ‘Leus’ en ‘Riet’ worden gebruikt voor weiland die zodanig laag liggen dat er riet of leus groeit of heeft gegroeid. ‘Riet’ is afgeleid van ‘rijt’; wat ‘natuurlijk water’ of ‘geul’ betekent.

Een ‘Board’ heeft als algemene betekenis ‘rand’, maar kan ook duiden op een perceel met een turfrand of een heide gebied met drassige plek erin. De benaming ‘Veld’ wordt vooral gebruikt als aanduiding voor woeste grond en de percelen die daaruit ontgonnen zijn. Ditzelfde geld voor ‘Braok’, al worden: ‘Braok’ en ‘Slag’ meestal alleen gebruikt als naam voor pas ontgonnen perceel. ‘Mene’ en ‘Ware’ zijn woorden die gebruikt werden voor woeste grond in gemeenschappelijk gebruikt.

Sommige namen voor beboste gebieden zijn ontleend aan de boomsoort die groeide in het desbetreffende bos. Een hoger, bebost gebied te midden van een stuk laagland wordt ook wel ‘Horst’ of ‘Hos’ genoemd. Voor smalle stukken bos, bosranden of omheining worden de namen ‘Singel’ of ‘Hegge’ en ‘Hagen’ gebruikt. ‘Pannekookn’ is een benaming waarvan wordt aangenomen dat deze staat voor een (rond) weiland of heidegrond met een ronde plas of rond geknipte heg. Het is het meest waarschijnlijk dat de naam van de vorm van het perceel of de grondsoort is afgeleid.

Wegen, dijken en wateren eindigen daarom meestal op: ‘-pad’, ‘-weg’, ‘-laantje’, ‘-allee’, ‘-stege’, ‘-diek’, ‘-dieksken’, ‘-bekke’, ‘-sloot’, ‘-götte’ of ‘-graven’. ‘Graven’ betekend hetzelfde als ‘Sloot’ of ‘Götte’, maar heeft soms ook greppel als definitie. Voor wegen wordt verder ook vaak ‘Grinte’ gebruikt, met als betekenis ‘door grind verharde weg’. Het komt ook voor dat percelen naar ‘Beek’ zijn genoemd, omdat er ooit een beek heeft gelegen. Ook oversteekplaatsen of doorwaadbare plaatsen kregen vaak een naam: ‘Brug’, ‘Voort’, ‘Spikke’ of ‘Vonder’.