Uiteraard hebben namen een sterke correlatie met de ondergrond. Zo liggen namen als ‘es’ en ‘enk’, waar hierboven al iets over geschreven staat, voornamelijk in gebieden met een enkeerdgrond. Langs de Berkel zijn bepaalde plekken nogal ijzerrijk, waardoor er ijzeroer gewonnen kon worden. Sommige percelen ontlenen daar nog altijd hun naam aan: ‘Oerweide’ of ‘Oorweide’ en ‘Roslat’ (naar de rode kleur van ijzeroer). Bij Rekken liggen enkele oude keileemgebieden, waarnaar ook verschillende namen uit voortkomen zoals: ‘Leemkoele’, ‘Leemslat’ en ‘Leemwegje’. Ook is op verschillende plaatsen in de gemeente is turf gestoken. Het veen is daardoor verdwenen, maar een hoop veldnamen herinneren er nog aan: ‘Veentje’, ’t Vaene’, ‘Vuurste Venne’ en ’t Venneke’.
Er zijn ook enkele veldnamen die voortkomen uit de kleur van de ondergrond. Zo komt bijvoorbeeld ‘de Zwatte Bree’ aan haar naam doordat dit stuk grond een stuk humeuzer dan de omgeving was.
De teelt van bepaalde producten of grondstoffen zorgde ook voor een aantal kenmerkende toponiemen. Zo zijn: ‘’t Vlasstukke’, ‘Vlaskamp’, ‘Vlasspree’ en ’n Vlaskamp’ afgeleid van het verbouwen van vlas, en zijn de namen ‘de Bleek’ en ‘de Bleke’ afgeleid van het bleken van linnen. De teelt van haver, rogge en bonen leverde de namen ‘Haverkamp’, ‘Havermaot’ (beide vaak onder wat vochtiger condities), ’t Roggeland’, ‘Roggenbraok’, ‘Bonenstukke’ en ‘Bonenkamp’ op. Ook waren er verschillende percelen die hun naam ontleenden aan de fabricage van stenen en dakpannen: ‘Panaoven’, ‘Tichelnoeln’, ‘Pannefabriek’ en ‘Ticheloven’.
Op plaatsen waar bos of struikgewas gerooid is, is ‘Rot’ of ‘Roodland’ een gebruikelijke naam. Dit geldt ook voor ‘Reuken’ en ‘Träöken’. Deze twee woorden betekenen eigenlijk hetzelfde, maar zijn op een andere manier ontwikkelt door de dialecten in het gebied.