De gladheid wordt in Nederland bestreden door te strooien met een dooimiddel (wegenzout, NaCl) en/of neerslag (sneeuw) te verwijderen met sneeuwploegen. Wintergladheid kan op twee verschillende manieren worden bestreden: preventief of curatief. Bij preventief strooien wordt dooimiddel aangebracht voordat het wegdek glad wordt. Bij curatief strooien is er sprake van bestrijding van gladheid die al aanwezig is.

Het strooien van wegenzout is een breed geaccepteerde methode om wintergladheid te bestrijden. Tegenwoordig wordt de natzoutmethode door Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten op grote schaal toegepast.

3.7.1 Strooimethodiek: nat-zoutmethode

De gemeente Almelo strooit met de nat-zoutmethode op alle wegonderdelen. Met de huidige technieken kan gladheid tot op zekere hoogte worden voorspeld. De weerbureaus kunnen ongeveer 2 uur à 2,5 uur van tevoren een betrouwbare voorspelling doen van het al dan niet optreden van gladheid. Binnen deze 2 à 2,5 uur kan de gladheidsdienst preventief strooien, dus vóórdat de gladheid daadwerkelijk optreedt. Na ca. een half uur tussen de melding en de uitruk van de winterdienst is er dus ca. twee uur om preventief te strooien. Tenzij de gladheid uitblijft, is elke gladheidsbestrijding na deze 2 uur curatief.

Wanneer tijdens een strooiactie zout wordt gestrooid op de weg, is het de bedoeling dat het zout zo gelijkmatig mogelijk over de verharding wordt verspreid. Door de snelheid van de strooiauto en door de wind kan het zout verwaaien en bijvoorbeeld in de berm terecht komen. Bij het strooien van natzout komt dit verwaaien minder voor dan bij strooien van droogzout. De reden hiervoor is dat het bevochtigde zout klontjes vormt die zwaarder zijn dan de droge korrels. Natzout is hierdoor minder gevoelig voor rijsnelheid en wind dan droogzout. Een en ander leidt tot de volgende effecten:

• Het zoutverbruik is lager omdat het strooiproces efficiënter is. Naast het feit dat bij natzout minder verwaaiing plaats vindt dan bij droogzout, kleeft natzout meer aan de weg dan droogzout. Hierdoor vindt ook na het strooien minder verwaaiing plaats door wind of rijdend verkeer;

• Doordat er met een hogere rijsnelheid kan worden gestrooid, kan een grotere weglengte gestrooid worden binnen dezelfde tijd;

• Doordat er minder verwaaiing van het zout plaatsvindt naar de bermen wordt het milieu minder belast;

• Doordat het zout al (deels) in oplossing is, is de werking van het dooimiddel sneller.

De nat-zoutmethode wordt toegepast op de doorgaande rijks- en provinciale wegen en bijna overal ook op grotere doorgaande wegen in de steden, omdat bij deze methode met hoge snelheid gereden kan worden. Na onderzoek door Twente Milieu is de nat-zoutmethode ook voor de gemeente Almelo ingevoerd.

Bij strooiacties worden in principe altijd de geldende richtlijnen van CROW gebruikt. Hier wordt tijdens een actie alleen van afgeweken als de weerverwachtingen hier aanleiding voor geven.

Ook zijn er bepaalde soorten wegen in de routes die soms extra aandacht verdienen, denk bijvoorbeeld aan klinkerwegen (elementen) en kunstwerken (brugdekken en viaducten).

Met behulp van het navigatiesysteem op de strooiwagen krijgt de chauffeur in die gevallen een waarschuwing over de te strooien hoeveelheid. Ook is er tijdens de jaarlijkse instructie aandacht voor het zoutgebruik tijdens de routes.

Tijdens de actie monitort de coördinator de verwachtingen, en is het mogelijk dat er tijdens een actie wordt op- of afgeschaald in de hoeveelheid te strooien grammen per m2.

Bij strooiacties zijn de gehanteerde hoeveelheden wegenzout als volgt:

• Bij een preventieve actie, voor het bevriezen van natte asfaltwegen: een hoeveelheid natzout van 7 gram per m² strooien;

• Bij een preventieve actie, voor het bevriezen van natte klinkerwegen en fietspaden: een hoeveelheid natzout van 10 gram per m² strooien;

• Bij een preventieve actie, voor sneeuwval of ijzel: een hoeveelheid natzout van 15 gram per m² strooien;

• Bij een curatieve actie, bij sneeuwval of ijzel: 25 gram per m² droogzout strooien. Bij aanhoudende sneeuwval of ijzel dit (met 20 gram per m²) blijven herhalen, zo nodig in combinatie met het verwijderen (ploegen) van sneeuw.

3.7.2 Signalering

Voor het strooien wordt afgegaan op de melding van Rijkswaterstaat en provincie, aangevuld met eigen waarneming door de coördinator van Twente Milieu. Twente Milieu stemt de meldingen voor alle gemeenten in haar beheergebied af. Op basis hiervan bepaalt de hoofdcoördinator de uitrukmomenten. De volgende methoden van melding worden gebruikt:

1. Weersvoorspelling door meteorologische diensten en koudste punten

Via een abonnement bij een meteorologische dienst is er bij Twente Milieu N.V. rechtstreeks toegang tot verschillende gegevens met betrekking tot temperaturen en neerslagverwachtingen op basis van meetpunten op de koudste punten in het wegennetwerk van de gemeente. Op deze wijze kan vooraf een goed inzicht worden gekregen in de benodigde inzet van gladheidsbestrijdingsacties en wordt het moment van uitruk bepaald.

2. Melding door andere wegbeheerders

Rijkswaterstaat en de Provincie beschikken over een netwerk van gladheidsmeldsystemen, beide wegbeheerders melden iedere aanvang van een gladheidsbestrijdingsactie door naar de coördinator van Twente Milieu. Deze melding is van belang om optimale afstemming te krijgen op elkaars strooiacties. Een aantal rijwegen lopen immers - voor de weggebruiker onzichtbaar - in elkaar over.

3. Eigen waarneming

Door eigen waarneming kan ter plaatse vaak een goede inschatting worden gemaakt over de te nemen actie, of bijsturing hiervan.

4. Melding door Regiopolitie

Deze vorm van melding is de laatste jaren op de achtergrond geraakt. Deze meldingen hebben vaak betrekking op plaatselijke klachten of calamiteiten bij bijvoorbeeld gesprongen waterleidingen, bluswater bij branden enz.

5. Contacten met andere gemeenten

Deze contacten zijn van belang om een goede afstemming op elkaars strooiacties te krijgen.