In deze paragraaf gaan we in op de beleids- en beheersmatige aspecten ten aanzien van reserves. We beschrijven daarbij de uitgangspunten rondom het instellen van reserves, de handelswijze met betrekking tot dotaties en onttrekkingen en overige aandachtspunten.

Uitgangspunt R1: We houden het aantal reserves zo beperkt mogelijk

Vanwege de overzichtelijkheid en doelmatigheid verdient het aanbeveling om het aantal reserves zo beperkt mogelijk houden. We voorkomen daarmee dat er teveel ‘potjes’ ontstaan die beslag leggen op de gelden van de gemeente. Bovendien is een reserve feitelijk een dekkingsmiddel en geen financieringsmiddel.

Uitgangspunt R2: Alleen de raad is bevoegd te beslissen over het instellen of opheffen van reserves

Dit is een wettelijke bepaling en vergt een expliciet raadsbesluit. Dat gebeurt doorgaans bij de vaststelling van de begroting of de jaarrekening (opgenomen als apart beslispunt), maar kan ook als separaat voorstel aan de raad worden voorgelegd.

Uitgangspunt R3: De raad besluit over de (geraamde) stortingen en/of onttrekkingen aan de reserves

Ook dit is wettelijk bepaald en hangt samen met het budgetrecht van de raad. De geraamde onttrekkingen en stortingen worden opgenomen in de jaarlijkse begroting van enig jaar en, met het vaststellen van de begroting, door de gemeenteraad bekrachtigd. In de reguliere P&C-instrumenten (begrotingswijzigingen) rapporteren we over afwijkingen rond deze onttrekkingen en toevoegingen.

Uitgangspunt R4: Het jaarrekeningresultaat verrekenen we met de Algemene Reserve

De raad kan bij het vaststellen van de jaarrekening echter besluiten om het jaarresultaat (deels) op een andere manier te bestemmen.

Uitgangspunt R5: Bij een voorstel tot het instellen van een reserve nemen we bij voorkeur het bestedingsdoel en een bestedingsplan op

Alleen het noemen van het specifieke bestedingsdoel biedt onvoldoende onderbouwing voor een besluit van de raad. Er dient bij voorkeur ook een bestedingsplan te zijn waarin onder andere de voeding van de reserve en de geschatte maximale omvang en looptijd zijn opgenomen.

Belangrijk is daarbij op te merken dat het instellen van een reserve nog niet betekent dat de ‘middelen’ beschikbaar zijn. Daarvoor moet(en) ook de geraamde onttrekking(en) door de raad zijn vastgesteld.

Uitgangspunt R6: Bestemmingsreserves stellen we bij voorkeur in ter dekking van incidentele lasten

Reservemutaties worden gezien als incidentele baten of lasten (uitgezonderd de reserve afschrijvingslasten – zie R8). Het doet recht aan het algemene dekkingsprincipe om structurele lasten met structurele baten af te dekken en niet met een incidentele onttrekking uit een reserve.

Uitgangspunt R7: Reserves t.b.v. de dekking van afschrijvingslasten stellen we bij voorkeur in voor investeringen met een incidenteel karakter

Vanwege het terugkerende karakter van vervangingsinvesteringen gaan we behoedzaam om met het instellen van afschrijvingslastenreserves. De begroting moet niet gewend raken aan structurele bijdragen uit reserves voor toekomstige en (steeds) terugkerende vervangingen. Het is echter van belang om een zekere mate van flexibiliteit in de begroting te houden en in sommige gevallen toch deze reserves te vormen. Dit geldt dan vooral voor nieuwe investeringen die over het algemeen een éénmalig karakter kennen. Omdat mutaties van afschrijvingsreserves gezien worden als structureel van aard kunnen incidentele middelen (zoals bijvoorbeeld de ontvangen Enecogelden) gebruikt worden om een afschrijvingsreserve te vormen en zorgen daarmee voor structurele dekking in de begroting.

Uitgangspunt R8: Na het verstrijken van de afgesproken looptijd of het vervallen van het bestedingsdoel valt het saldo van de reserve vrij ten gunste van de Algemene reserve

Indien bij het verstrijken van de looptijd of het vervallen van het huidige bestedingsdoel geconstateerd wordt dat eventuele restantmiddelen langer of voor een ander bestedingsdoel nodig zijn, dan is hiervoor een nieuw raadsbesluit nodig waarbij het (nieuwe) doel, de omvang en de looptijd opnieuw worden afgewogen.

Uitgangspunt R9: We rekenen geen rente toe aan de reserves

Rentebijschrijving aan reserves is volgens het BBV mogelijk, maar de aanbeveling is om dit niet te doen. Barendrecht rekent geen rente toe aan reserves. In het licht van de aanbeveling van de commissie BBV handhaven we dit uitgangspunt.

Uitgangspunt R10: De norm voor de weerstandsratio bedraagt 1,4 (ruim voldoende)

De Algemene Reserve vormt de belangrijkste component van het beschikbare weerstandsvermogen. Afgezet tegen de benodigde weerstandscapaciteit, zoals genoemd in de risicoparagraaf in de begroting en de jaarrekening, levert dit de zogenaamde weerstandsratio op. In Barendrecht streven we naar een ratio van 1,4 (ruim voldoende).