Deze meldingen- en vergunningenstrategie ziet op het beoordelen en afhandelen van:

  • - meldingen die de activiteit bouwen gevolgklasse 1, brandveilig gebruik en slopen betreffen;
  • - aanvragen omgevingsvergunning bouwactiviteit gevolgklasse 2 en 3, binnenplanse en buitenplanse omgevingsplanactiviteit, aanlegwerkzaamheden, aanpassen van een monument, aanleggen inrit, kappen van bomen en het aanbrengen van reclame-uitingen betreffen.

Basiswerkwijze

Een aanvraag of melding wordt bij voorkeur na een initiatiefproces ontvangen.

Inwoners en bedrijven zijn verantwoordelijk voor het indienen van juiste en volledige aanvraag/melding.

Centrale toegang via DSO

Het DSO is het centrale omgevingsloket voor het doen van een vergunningscheck, aanvragen omgevingsoverleg, indienen van aanvragen omgevingsvergunning en het doen van meldingen.

Bij een meervoudige aanvraag splitst het omgevingsloket de aanvraag op in meerdere verzoeken. Het omgevingsloket bepaalt daarna per verzoek het bevoegd gezag. Dit is de overheid die een aanvraag behandelt, meldingen ontvangt en bevoegd is voor toezicht en handhaving.

Bij initiatieven waarvoor meerdere vergunningen of toestemmingen nodig zijn, wordt er één bevoegd gezag aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Dit zal meestal de gemeente zijn.

In onze rol als procesbegeleider stemmen we zo vroeg en zoveel mogelijk af met interne adviseurs, andere bevoegde overheden en ketenpartners. De samenwerkingsfunctionaliteit in het DSO is de voorziening voor de afstemming met de externe adviseurs.

Casemanagement

Voor de melder/aanvrager is er een vast aanspreekpunt gedurende het hele behandeltraject. Hiervoor zijn casemanagers aangewezen. Zij regisseren de behandeling van de aanvraag van het eerste klantcontact tot de afgifte van de beschikking op de aanvraag. Daar waar nodig vragen zij interne en externe specialisten om advies en bewaken de voortgang van het gehele traject.

De casemanager wordt via de werkverdeling bepaald.

De casemanagers hebben een open mind en denken mee met een initiatiefnemer vanuit een basishouding “mede mogelijk maken”. Zij zijn ook duidelijk wanneer iets niet kan. Verder geven zij informatie over de wet- en regelgeving en het participatiebeleid (handreiking en participatietools) van de gemeente Assen. Zij kunnen de participatiecoaches inschakelen bij specifieke ondersteuningsvragen.

Na het verlenen van de vergunning wordt de zaak overgedragen aan een toezichthouder voor het toezicht tijdens de realisatie en ingebruikneming.

Vergunningprocedures/termijnen/dwangsom bij termijnoverschrijving

De inzet is om aanvragen af te handelen binnen de wettelijke termijnen. In de artikelen 16.64 en 16.65 Omgevingswet is hierover het volgende bepaald:

  • - reguliere procedure < 8 weken; eenmalig te verlengen met 6 weken;
  • - reguliere procedure, maar de beslissing op de aanvraag behoeft instemming van de raad < 12 weken; eenmalig te verlengen met 6 weken;
  • - uitgebreide procedure < 26 weken; eenmalig te verlengen met 6 weken.

Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure het uitgangspunt.

De uitgebreide procedure is uitzondering. Artikel 16.65 Omgevingswet noemt de gevallen waarin daarvan sprake is en verklaart afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht dan van toepassing:

a. als de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van activiteiten;

b. op verzoek of met instemming van de aanvrager.

Lukt het niet om tijdig een besluit te nemen op een vergunningaanvraag, dan kan de aanvrager het bestuursorgaan in gebreke stellen en heeft het bestuursorgaan alsnog twee weken de tijd om te besluiten. Lukt dit dan nog niet, dan kan de aanvrager een beroep doen op de Wet dwangsom.

Zo nodig kunnen er, ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat, maatwerkvoorschriften worden opgelegd. Dit kan zowel in aanvulling op of concretere uitwerking van de voorschriften zijn.

‘Slapende’ vergunningen en bouwmeldingen

De meeste vergunningen die wij verlenen worden vrij snel gerealiseerd nadat de vergunning is verleend. Het komt echter ook voor dat geen of pas na een aantal jaren gebruik wordt gemaakt van de vergunning. Het kan ook gebeuren dat een vergunninghouder wel begint, maar daarna de bouw langer dan 26 weken stil legt. Hiermee ontstaat een zogenaamde “slapende” omgevingsvergunning.

Het ongebruikt laten voortbestaan van rechten uit een vergunning vinden wij om meerdere redenen ongewenst:

• voorkomen moet worden dat bouwwerken of activiteiten die in het verleden zijn vergund maar nog niet zijn gerealiseerd, (nieuwe) planologische en stedenbouwkundige inzichten doorkruisen;

• voorkomen moet worden dat nieuwe bouwwerken c.q. activiteiten worden gebouwd/uitgevoerd naar verouderde (bouw)technische inzichten;

• vanuit administratief oogpunt is het gewenst en vanuit de BAG noodzakelijk dat het vergunningenbestand zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie buiten;

• verschil tussen de feitelijke - en planologische situatie kan zorgen voor problemen bij taxaties in het kader van de WOZ.

Daarom willen wij meer gaan sturen op het intrekken van ‘slapende vergunningen’. Wij beogen deze vergunningen in trekken als:

• de vergunninghouder erom verzoekt;

• het gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten;

• gedurende een jaar of een in de vergunning, verordening of een AMvB bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

De wet bepaalt voor de onder de reikwijdte van deze U&HS vallende vergunningen wanneer wij deze mogen intrekken. Wij kiezen ervoor om eerst de huidige situatie goed in beeld te brengen om zicht te krijgen op het aantal gevallen waarin van een slapende vergunning sprake is, daarna zal dit projectmatig worden opgepakt.

Bouwmelding vervalt van rechtswege

Voor de bouwmelding is wettelijk bepaald dat die van rechtswege vervalt, indien:

  • - de bouwactiviteit niet begint binnen een jaar na de melding;
  • - en niet tenminste vier weken voor het begin van de bouwactiviteit opnieuw een melding wordt gedaan.

Risicogestuurd behandelen meldingen en vergunningaanvragen

Het toetsen van aanvragen en meldingen vindt risicogestuurd plaats. Naarmate de risico’s groter zijn worden aanvragen en meldingen diepgaander/intensiever getoetst. Wij onderscheiden de volgende toetsniveaus, die verder zijn uitgewerkt in het werkprotocol toetsing onderdeel bouw:

Afbeelding bij dit artikel

Eerste beoordeling melding/aanvraag

Door de casemanager wordt getoetst of:

  • - er sprake is van een vergunningsvrije, meldingsplichtige of vergunningsplichtige activiteit;
  • - de melding/aanvraag past binnen de ruimtelijke regels;
  • - aan de indieningsvereisten wordt voldaan.

Wanneer een vergunningaanvraag niet volledig is, dan wordt de mogelijkheid geboden tot aanvulling, zoals in de wet wordt bepaald. Bij meldingen is er geen mogelijkheid tot aanvulling. Om de aanvrager tegemoet te komen wordt direct telefonisch contact opgenomen en wordt de mogelijkheid geboden om binnen twee werkdagen de ontbrekende stukken per email in te dienen. Per brief wordt het telefonisch contact bevestigd met samenvatting van hetgeen besproken is.

Verder worden meldingen en aanvragen behandeld zoals bepaald wordt in de wet.

Participatie bij aanvraag omgevingsvergunning

Het is een verantwoordelijkheid van de aanvrager om de omgeving vroegtijdig te betrekken en meningen in te winnen over het voorgenomen plan/project. Artikel 7.4 Omgevingsregeling bepaalt dat de initiatiefnemer bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn.

Algemeen aanvraagvereiste “vrijwillige” participatie

De initiatiefnemer moet in alle gevallen worden gestimuleerd om na te denken over hoe aan participatie te doen. Men is zelf verantwoordelijk om belanghebbenden te informeren en betrekken. Er is ondersteuning beschikbaar als een initiatiefnemer dit lastig vindt. De participatiecoaches zijn direct benaderbaar voor inwoners (en organisaties en ondernemers). Er zijn samenwerkingsafspraken over de rol en inzet van de casemanager mbt participatie en die van de participatiecoaches.

De initiatiefnemer is verplicht bij zijn aanvraag aan te geven:

  • - of de initiatiefnemer aan participatie heeft gedaan;
  • - zo ja, hoe de initiatiefnemer dit heeft gedaan en wat de resultaten zijn.

Participatiegegevens bij niet-aangewezen gevallen worden alleen op de uitgangspunten getoetst (aangeleverd en aannemelijk).

Een aanvraag mag niet buiten behandeling worden gelaten of geweigerd, omdat er geen of te weinig aan participatie is gedaan.

-Aanvraagvereiste bij verplichte participatie

Bij omgevingsplanactiviteiten die niet passen binnen het omgevingsplan, is het verplicht te participeren in door de raad aangewezen gevallen. De gemeenteraad van Assen heeft in zijn vergaderingen van 16 december 2021 en 19 mei 2022 de gevallen aangewezen waarvoor een bindend advies van de raad en participatie met de omgeving verplicht is.

Lijst met categorieën aangewezen voor bindend advies en verplichte participatie

OnderwerpBindend advies en verplichte participatie raadAlleen participatieplicht
EnergieZonneparken
EnergieDe realisatie één of meer windturbines die met de grond verankerd zijn;De realisatie van één of meer windturbines, die op een dak geplaatst zijn;
EnergieProjecten m.b.t. energieopwekking en/of -opslag, zoals bijvoorbeeld buurtbatterij, biomassa-installatie, waterstof;
Bouwen in buitengebiedHet oprichten en/of gebruiken van één of meerdere hoofdgebouwen en eventuele bijbehorende bouwwerken (anders dan voor wonen) op één locatie in buitengebied;Het oprichten en/of gebruiken van één of meerdere hoofdgebouwen en eventuele bijbehorende bouwwerken voor een woonfunctie op één locatie in buitengebied;
WoningbouwHet bouwen van 12 of meer nieuwe woningen (met inbegrip van daarbij behorende bouwwerken en overige daartoe behorende voorzieningen) op een locatie waar het omgevingsplan de functie wonen niet toestaat;Het bouwen van 1 tot en met 11 nieuwe woningen (met inbegrip van daarbij behorende bouwwerken en overige daartoe behorende voorzieningen) op een locatie waar het omgevingsplan de functie wonen niet toestaat;
WoningbouwHet bouwen van één of meer woning(en) op locaties met een groenbestemming, waar planologisch geen bebouwing is toegestaan;
AntenneEen antenne-installatie hoger dan 40 meter;Het oprichten van een antenne-installatie tot en met 40 meter;
Maatschappelijke functieNieuwbouwprojecten met een bebouwingsoppervlak van meer dan 500 m² ten behoeve van een maatschappelijke functie;Het veranderen of uitbreiden van gebouwen ten behoeve van een maatschappelijke functie, ongeacht het bebouwingsoppervlak; Het oprichten van gebouwen ten behoeve van een maatschappelijke functie met een bebouwingsoppervlak van maximaal 500 m²;
Bedrijf- en kantoorfunctieNieuwbouwprojecten met een bebouwingsoppervlak van meer dan 1000 m² ten behoeve van een bedrijf- en/of kantoorfunctie.Het veranderen of uitbreiden van gebouwen ten behoeve van een bedrijf- en/of kantoorfunctie, ongeacht het bebouwingsoppervlak; Het oprichten van gebouwen ten behoeve van een bedrijf- en/of kantoorfunctie met een bebouwingsoppervlak van maximaal 1000 m²;
FunctiewijzigingenHet gebruik van een bouwwerk voor een andere functie dan is toegestaan volgens het omgevingsplan;
ReclamemastenReclamemasten hoger dan 10 meter

Bij een participatieplichtig initiatief moet de initiatiefnemer aantonen dat hij of zij aan participatie heeft gedaan.

Bij de categorieën waarvoor participatie verplicht is en een bindend advies van de raad nodig is, beoordeelt de raad het participatieproces. De gevallen waarin participatie verplicht is, maar geen bindend advies vereist is, worden niet voorgelegd aan de raad. In deze gevallen beoordeelt het college het participatieproces dat is uitgevoerd door de initiatiefnemer.

Als de initiatiefnemer niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. In die situatie wordt aangegeven waarin de participatie tekort schoot.

Bij de buitenplanse activiteiten wordt op twee manieren beoordeeld of voldoende aan de participatievereisten is voldaan:

1. Procesmatig: aan de hand van het participatieverslag en handleiding participatie wordt beoordeeld of de initiatiefnemer voldoende aan participatie heeft gedaan. Zo nodig wordt dit geverifieerd door participanten te bevragen naar de verloop van het proces;

2. Inhoudelijk: De gemeente neemt de uitkomsten van het participatietraject mee bij de evenredige belangenafweging die plaatsvindt bij de beoordeling van het initiatief.

Er zijn drie beoordelingsgronden:

a. Past het initiatief binnen het beleid. Dit is altijd een beoordelingsgrond van een aanvraag, los van het participatietraject;

b. Draagvlak vanuit de omgeving afwegen tegen het maatschappelijk belang van het initiatief. Een specifieke doelgroep kan bezwaar hebben tegen het initiatief, maar het maatschappelijk belang kan dermate groot zijn, dat dit zwaarder weegt dan een beperkt draagvlak.

c. Beoordelen of de inbreng van participanten het plan integraal verbetert en in hoeverre de initiatiefnemer dit in het plan heeft betrokken.

Beoordelingskader/inhoudelijke toetsing per activiteit

De kaders voor de inhoudelijke toetsing zijn grotendeels landelijk geüniformeerd en toegeschreven op de verschillende activiteiten. Hieronder beschrijven we de relevante, inhoudelijke beoordelingskaders per activiteit.

-Bouwactiviteit

Met ingang van 1 januari 2024 is er een ‘knip’ gemaakt in de beoordeling van bouwactiviteiten. Beoordeling van de bouwactiviteit wordt gesplitst in:

  • - een technisch deel waarbij wordt getoetst aan het Bbl. Voor bouwwerken in gevolgklasse 1 komt deze preventieve toetsing bij een private kwaliteitsborger te liggen en niet meer bij de gemeente.
  • - een ruimtelijk deel, genaamd omgevingsplanactiviteit, waarbij een toets plaatsvindt aan het omgevingsplan, welstand, lokale verordeningen en omgevingsveiligheid (externe veiligheid).

Vergunningsvrije bouwactiviteiten

Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn in het Bbl vergunningsvrije gevallen aangewezen:

  • - vergunningsvrije (technische) bouwactiviteiten
  • - vergunningsvrije omgevingsplanactiviteiten

Via de zogenoemde bruidsschat zijn veel van onder de Wabo landelijk uniform geregelde vergunningsvrije mogelijkheden aan de gemeente overgedragen en maken ze per 1-1-2024 onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan van rechtswege. De gemeenteraad weegt bij de omzetting naar een definitief omgevingsplan af of deze regels geschrapt, overgenomen of gewijzigd worden.

Vier typen bouwactiviteiten en gevolgklassen

De gevolgklassen zijn bepaald aan de hand van de mogelijke gevolgen voor gebruikers. Bijvoorbeeld als gevolg van brand of het instorten van een (deel van een) gebouw. Hoe groter de gevolgen zijn als er iets misgaat, des te hoger de gevolgklasse.

Bouwwerken gevolgklasse 0 – Vergunnings- en meldingsvrij bouwen

Bijvoorbeeld een dakkapel aan de achterzijde

Geen inhoudelijke toets vereist

Bouwwerken vallend onder gevolgklasse 0 zijn vergunningsvrij voor technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit.

Dit betekent echter niet dat deze bouwwerken regelvrij zijn. Er moet worden voldaan aan de (technische) regels uit het Bbl.

Bouwwerken gevolgklasse 1 – Vergunningsplicht omgevingsplanactiviteit en meldingsplichten voor technische bouwkwaliteit (bouw- en gereedmelding)

De (persoonlijke) gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan zijn beperkt. Bijvoorbeeld een grondgebonden woning of een fabriekspand max 2 verdiepingen.

Het bouwen of verbouwen van bouwwerken behorend tot gevolgklasse 1 staat in artikel 2.17, lid 3, van het Bbl.

Bouwactiviteiten opgenomen in 2.17, lid 2, Bbl, zijn uitgezonderd of vallen niet onder gevolgklasse 1

Wijze van toetsing bouwmeldingen

De gemeente beperkt zich tot een volledigheidstoets en doet geen ruime inhoudelijke toets van meldingen. In het werkproces is de volledigheidstoets verder uitgewerkt. De kwaliteitsborger is verantwoordelijk voor de volledige bouwtechnische beoordeling van het bouwwerk.

Als sprake is van bijzondere, lokale omstandigheden die vooraf aan de kwaliteitsborger zijn meegegeven, doet de gemeente een inhoudelijke beoordeling van de risicoanalyse/het borgingsplan.

Bij onvoldoende borging van de risico’s vragen wij extra informatie op over de specifieke risico’s en/of de momenten waarop bepaalde werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

Na ontvangst informatieplicht start bouw

  • - Bij nieuwbouw wordt opdracht gegeven aan GEO om de bouw uit te zetten. Hierover is een voorschrift opgenomen in de omgevingsplanvergunning. Uitbouwen worden niet uitgezet.

Wijze van toetsing gereedmelding

De gemeente beoordeelt de gereedmelding op volledigheid (dossier bevoegd gezag, verklaring kwaliteitsborger, verantwoording eventuele beheersmaatregelen). In het werkproces is dit verder uitgewerkt. Als de gereedmelding volledig is, bevestigen wij dat/wordt schriftelijk goedkeuring voor ingebruikname gegeven.

Indien de gereedmelding niet volledig is, stemt de casemanager af met toezicht en handhaving over “verbod op ingebruikname” (of eerst vragen om aanvullende gegevens met opmerking over nog niet in gebruik nemen). Zie verder de deelstrategie handhaving bouwwerken gevolgklasse 1.

Bouwwerken gevolgklasse 2 – Vergunningplicht voor technische bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit

Reële kans op (persoonlijke) gevolgen als niet aan de voorschriften wordt voldaan.

Bijvoorbeeld bibliotheken, gemeentehuizen en woongebouwen tot 70 meter hoogte

Bouwwerken gevolgklasse 3 – Vergunningplicht voor technische bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit

Kans op aanzienlijke (persoonlijke) gevolgen als niet aan de bouwtechnische voorschriften wordt voldaan.

Bijvoorbeeld metrostations, stadions, ziekenhuizen en gebouwen hoger dan 70 meter

Een aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit wordt door de gemeente getoetst aan:

• Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

De wijze van toetsing is, zoals eerder bij de basiswerkwijze beschreven, risicogestuurd. De focus bij de toetsing ligt op de onderwerpen veiligheid (o.a. brandpreventie en constructies) en gezondheid (o.a. ventilatie). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in het type bouwwerk. Een openbaar gebouw of een gebouw bedoeld voor een kwetsbare doelgroep kent een vergaande toets op deze onderwerpen. Uit de aanvraag moet voldoende aannemelijk blijken dat het plan voldoet aan het Bbl.

• Omgevingsplan

In het omgevingsplan staan regels over activiteiten en onder welke voorwaarden die op een locatie zijn toegestaan. Als een omgevingsvergunning nodig is bevat het omgevingsplan ook de beoordelingsregels en aanvraagvereisten. Er kan sprake zijn van een binnenplanse of buitenplanse vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit. Dit wordt hierna uitgewerkt onder het kopje omgevingsplanactiviteit.

• Welstandsbeleid

Een bouwplan wordt getoetst aan de Welstands- en reclamenota en een, eventueel vastgesteld, beeldkwaliteitsplan van de gemeente Assen. Afhankelijk van de omvang en impact van het bouwplan adviseert een door de raad aangewezen commissie. Het college kan gemotiveerd van het advies afwijken.

• Erfgoedbeleid

Op moment van schrijven van deze strategie is er een erfgoedvisie vastgesteld. Op basis daarvan moet erfgoedbeleid worden ontwikkeld.

• Besluit kwaliteit leefomgeving

Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels van het Bkl.

Een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit is nodig, tenzij op grond van het omgevingsplan deze activiteit vergunningsvrij is dan wel hiervoor een meldingsplicht geldt.

-Bouw- en sloopveiligheid

Veiligheid op en in de directe omgeving van de bouwplaats

De specifieke zorgplicht over bouw- en sloopwerkzaamheden geldt voor de opdrachtgever of aannemer die bouwt of sloopt. Die persoon moet maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor nabijgelegen wegen, werken of (on) roerende zaken tegen te gaan. Nadelige gevolgen zijn schade, hinder of overlast in de omgeving van of op een bouwplaats. De regels hiervoor staan in het Bbl.

Het gaat dan om beschadiging of belemmering van wegen, in de weg gelegen werken, andere roerende of onroerende zaken.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit is de arbeidsveiligheid van werknemers op de bouwplaats geregeld. Een veiligheid- en gezondheidscoördinator (hierna: V&G-coördinator) heeft de taak zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van werkenden op de bouwplaats.

Binnen de hekken van de bouwplaats wordt de veiligheid gecontroleerd door de Arbeidsinspectie.

Buiten de hekken (op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen) vindt toezicht plaats door de gemeente.

Tijdens het “verkennen van het initiatief” zullen wij de initiatiefnemer dan wel bouwer op deze omstandigheden wijzen. Wanneer de omgevingsveiligheid in het geding is, moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag.

Bij vergunning- of meldingplichtige beoogde bouw- of sloopwerkzaamheden moet altijd een risicomatrix worden opgesteld (Bbl art. 7.5a lid 1).

Afhankelijk van de uitkomst moet een “veiligheidscoördinator directe omgeving” worden aangesteld en een bouw- of sloopveiligheidsplan worden opgesteld (Bbl art. 7.5a lid 2).

-Omgevingsplanactiviteit

Voor diverse ruimtelijke activiteiten (bouwen, kappen, veranderen gebruik etc.) blijft een omgevingsvergunning nodig. De aanvraag hiervoor moet (volledig) worden getoetst aan het omgevingsplan.

We spreken vanaf 1-1-2024 van een omgevingsplanactiviteit. Onder de Omgevingswet zijn er drie mogelijkheden om hieraan medewerking te verlenen:

• een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan (binnenplanse omgevingsplanactiviteit);

• een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Soms moet de raad om advies worden gevraagd. De activiteiten waarvoor dit geldt staan op een door de raad vastgestelde lijst .

• een projectbesluit. Dit is een instrument voor waterschappen, provincies en het rijk en bedoeld om complexe projecten mogelijk te maken.

Beoordelingsregels

Voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Dit staat in artikel 8.0a, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In de bruidsschat voor het omgevingsplan staan al beoordelingsregels voor diverse activiteiten. Ook in gemeentelijke verordeningen die op termijn in het omgevingsplan moeten, kunnen beoordelingsregels voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten staan.

Het begrip “afwijken“ komt in de Omgevingswet niet terug. Bij strijdigheid met het omgevingsplan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wij beoordelen deze aanvragen vanuit een ‘Ja, mits’ houding en:

  • - met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl);
  • - de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 Bkl;
  • - de instructieregels van de provincie voor het omgevingsplan;
  • - eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie.

Kan de gewenste ontwikkeling alleen worden toegelaten door het vaststellen van een wijziging van algemene regels voor andere locaties in het omgevingsplan, dan is de vergunning technisch niet vergunbaar. In die situatie is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

Opnemen in omgevingsplan

Een omgevingsvergunning ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ moet binnen een periode van 5 jaar worden opgenomen In het omgevingsplan.

-Activiteit Uitvoeren van werk(zaamheden)

Een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘werk of werkzaamheden uitvoeren’ (voorheen aanlegvergunning) is opgenomen in het omgevingsplan en geeft toestemming om in gebieden met landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden onder andere wegen aan te leggen, sloten te graven of dempen of bomen te planten of rooien. De bedoeling is het aangewezen gebied te beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen. In het omgevingsplan staat wanneer een vergunning nodig is en wat daarvoor de toetsingscriteria zijn.

De belangen worden afgewogen op basis van een (nader) in te dienen onderbouwing of onderzoeken. De inhoudelijke advisering wordt uitgevoerd door interne en externe deskundigen.

-Activiteit Brandveilig gebruik bouwwerk

Voor het brandveilig gebruik van een bouwwerk geldt een meldingsplicht. De regels waaraan moet worden getoetst staan in de afdelingen 6.1 en 6.2 Bbl. Meldingen worden voor advies voorgelegd aan de VRD.

In alle gevallen gaat het om het in gebruik nemen van een bouwwerk, bestemd voor het verblijf van een kwetsbare doelgroep. Om deze reden wordt de toets aan het Bbl volledig gedaan.

De gemeente kan in bijzondere gevallen in het omgevingsplan maatwerkregels stellen over de meldingsplicht voor het brandveilig gebruik van een bouwwerk.

De Omgevingswet bevat geen definitie voor brandveilig gebruik van een bouwwerk. Bij het gebruiken van een bouwwerk moet je aan de regels voor brandveilig gebruik voldoen. Het gebruiken van het bouwwerk valt dus onder de activiteit ‘het brandveilig gebruik van een bouwwerk’.

-Monumentenactiviteit

De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging) vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijks- cultuurhistorisch erfgoed.

Bij rijksmonumenten is, afhankelijk van de aard van de activiteiten en de impact die ze op het monument hebben, advies en instemming vereist van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dit advies wordt namens de minister uitgebracht door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarbij eventueel door deze rijksdienst gestelde voorwaarden onverkort in de omgevingsvergunning worden overgenomen.

Verbouwplannen betreffende gemeentelijke en provinciale monumenten worden voorgelegd aan een door de raad hiervoor ingestelde commissie. Bij gemeentelijke monumenten vindt er ook een toets aan het omgevingsplan plaats.

-Sloopactiviteit

De rijksregels voor de sloopactiviteiten staan in hoofdstuk 7 van het Bbl. Er is geen vergunning nodig, maar er geldt wel een meldings- en informatieplicht en een toetsing aan het omgevingsplan.

Eventueel kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in het omgevingsplan een vergunningplicht voor de activiteit ‘slopen’ te introduceren.

Voor een beperkt aantal sloopactiviteiten is melden niet verplicht. Die staan in artikel 7.10 Bbl.

De lijst met aan te leveren gegevens en documenten en de meldingsprocedure met termijnen staan in de artikelen 7.11 en 7.12 van het Bbl.

Maatwerkvoorschrift

Bovenop de sloopmelding kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften voorschrijven (artikel 7.14 Bbl).

-Flora- en fauna- en Natura 2000-activiteit

De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming houtopstanden. De Wet natuurbescherming gaat op 1-1-2024 over in het stelsel van de Omgevingswet. Daarmee wordt het belang van natuur als integraal onderdeel van de fysieke leefomgeving geregeld. Beleidsmatig ziet ecologie op natuurwaarden in gebieden, flora en fauna, bomen, landschap, landschapselementen en groenstructuren. Ecologie raakt sterk aan bodem, water en klimaat.

Onder de Omgevingswet wijzigt de naamgeving van handelingen die betrekking hebben op natuur: ontheffingen en zogenoemde natuurvergunningen heten straks omgevingsvergunning.

Er is niet langer sprake van één integrale vindplaats voor alle natuurbeschermingsregels.

De meeste artikelen uit de Wet natuurbescherming en het onderliggende Besluit natuurbescherming krijgen een plekje in de verschillende AMvB's onder de Omgevingswet. Dat zijn het Bbl (stikstof), het Omgevingsbesluit (bevoegd gezag), het Bkl (onder andere instructie- en beoordelingsregels) en het Bal (vrijstellingen).

Bevoegd gezag

De provincie is meestal het bevoegd gezag voor een aanvraag die alleen gaat over een flora- of fauna-activiteit of Natura 2000-activiteit.

Artikel 5.12 Omgevingswet wijst het college aan als beslissend bestuursorgaan op aanvragen omgevingsvergunning die betrekking hebben op meer dan één activiteit, tenzij bij AMvB een ander betrokken bestuursorgaan wordt aangewezen.

Artikel 4.6 Omgevingsbesluit noemt de activiteiten waarvoor GS beslissingsbevoegd zijn. Dit betreft onder andere een enkelvoudige of meervoudige aanvraag voor een Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit, die niet is aangewezen in artikel 4.12, tweede en derde lid.

Artikel 4.12 Omgevingsbesluit wijst de Minister voor Natuur en Stikstof aan om te beslissen op een enkel- of meervoudige aanvraag die van nationaal belang is.

De flora- en fauna-activiteit heeft vaak een relatie met een andere activiteit, zoals een bouwactiviteit, sloopactiviteit of kappen van een boom. In dat geval is de gemeente het bevoegd gezag en is advies en instemming nodig van:

  • - GS voor het deel van de aanvraag dat gaat over de flora- en fauna-activiteit of Natura 2000-activiteit zonder nationaal belang (artikel 4.25 Omgevingsbesluit).
  • - de minister van LNV voor het deel van de aanvraag dat gaat over de flora- en fauna-activiteit of Natura 2000-activiteit van nationaal belang (artikel 4.31 Omgevingsbesluit).

Onder de Omgevingswet kunnen activiteiten ook afzonderlijk worden aangevraagd. Bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit.

Uitzondering vergunningplicht

Natura 2000-activiteiten zijn meestal aangemerkt als vergunningplichtig, maar er zijn ook gevallen waarvoor op grond van (hoofdstuk 11 van) het Bal of de Omgevingsregeling deze vergunningplicht niet geldt.

Voor flora- en fauna-activiteiten kan een vergunningplicht gelden. In (hoofdstuk 11 van) het Bal en de Omgevingsregeling zijn zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen aangewezen.

Beoordeling aanvraag

Bij aanvragen omgevingsvergunningen moet worden gekeken naar effecten van de aanvraag op ecologische aandachtspunten. De casemanager maakt een inschatting of ecologie aan de orde is en ecologisch advies moet worden gevraagd dan wel deze adviseur moet worden betrokken bij de intake- en/of de omgevingstafel. Sommige zaken zijn wettelijk geregeld, andere beleidsmatig, weer andere zijn nog niet geregeld. Dit beleid zal de komende jaren verder ontwikkeld worden.

Ecologie, en zeker beschermde soorten, zitten bijna overal, zowel in natuurgebied, in agrarisch gebied als in de bebouwde omgeving. Het is echter ondoenlijk alle aanvragen te (laten) toetsen op ecologie. Eventuele kosten voor ecologisch onderzoek zijn voor kleine aanvragen/particuliere initiatieven buitenproportioneel vergeleken met de kosten van de (ruimtelijke) ingreep waarvoor de vergunning benodigd is. Dit speelt onder andere bij het verduurzamen/na-isoleren van woningen.

Voor dit soort activiteiten willen wij een soortenmanagementplan opstellen. Een soortenmanagementplan bevat een natuuronderzoek/ecologisch onderzoek en een maatregelenplan dat wordt opgesteld op basis van de resultaten van het onderzoek. Het soortenmanagementplan geeft inzicht, bijvoorbeeld in beschermde gebouw bewonende soorten in Assen en de instandhouding ervan. Een soortenmanagementplan kan ook worden opgesteld voor niet gebouw bewonende soorten, maar doorgaans gaat het over gebouw bewonende soorten.

Op basis van dit plan kan een gebiedsgerichte ontheffing op grond van de Omgevingswet worden verkregen. Dit scheelt tijd en (onderzoeks-)kosten bij (ver)bouwprojecten.

Onder de Omgevingswet wordt het soortenmanagementplan in de vorm van een programma vastgesteld. Het maakt duidelijk welke flora- en fauna-activiteiten van de vergunningplicht zijn vrijgesteld.

Ook in het omgevingsplan kunnen (omgevings)waarden/doelstellingen op het gebied van natuur en landschap worden opgenomen. De komende jaren zal steeds duidelijker worden hoe het natuur-/ecologisch beleid zich in de gemeente Assen ontwikkelt.

Zolang er nog geen gemeentelijk toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen is vastgesteld, zullen wij ecologische aandachtspunten als aanbeveling meegeven tijdens het verkennen van het initiatief.

Bij onderstaande aanvragen, niet zijnde kleine particuliere initiatieven, is een ecologische beoordeling van belang:

• Aanvragen volledige sloop of sloop van een flink deel van de buitenkant van een gebouw;

• Complexe bouwaanvragen, zowel strijdig als niet strijdig gebruik;

• Aanvragen in het landelijk gebied/agrarisch gebied;

• Herontwikkeling in stedelijk gebied;

• Aanvragen aanleg- en kapvergunning.

-Activiteiten o.g.v. een verordening

Onder de Omgevingswet bestaat de verplichting om voor het gehele gemeentelijke grondgebied een omgevingsplan vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen.

In een aantal gemeentelijke verordeningen staan regels over de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsbesluit (artikel 2.1) bepaalt welke regels van de bestaande gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan moeten. Het gaat bijvoorbeeld om regels over het kappen van bomen, het maken of aanpassen van inritten, het aanbrengen van handelsreclame in de algemene plaatselijke verordening of een andere gemeentelijke verordening.

Uiterlijk 31 december 2031 moeten deze regels zijn ondergebracht in het omgevingsplan. Ze maken dus geen onderdeel uit van het tijdelijk omgevingsplan dat van rechtswege op 1 januari 2024 ontstaat.

In de provinciale omgevingsverordening is onder andere de vergunningsplicht vastgelegd voor het aanpassen van een provinciaal monument (eveneens beoordeling door de CRKC) of het aanpassen of maken van een uitweg. Als de vergunningplicht geldt vanuit een provinciale omgevingsverordening, dan wordt de gemeente om advies gevraagd door de provincie.

In de betreffende verordening zijn de weigeringsgronden gesteld voor de vergunningsplichtige activiteit.