1.. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

2.. De gemeente onderzoekt de eigen kracht van de jeugdige, de ouder en het sociaal netwerk. In artikel 21 is het onderzoek naar eigen kracht en het probleemoplossend vermogen nader uitgewerkt. Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen de jeugdige en/of de ouder en/of sociaal netwerk in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De gemeente kent geen individuele voorziening jeugdhulpvervoer toe als:

  • - de jeugdige zelf de jeugdhulplocatie kan bereiken of;
  • - het gezinssysteem de jeugdige zelf kan vervoeren of;
  • - er geen speciaal (medisch) vervoer nodig is of;
  • - het probleem wijst op een probleem op het werk van het gezinssysteem en niet op het probleem bij het vervoeren van de jeugdige.

3.. Een vervoersvoorzjening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van de gemeente is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

4.. De gemeente beoordeelt, overeenkomstig artikel 10, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.