• - Onderdeel van het in artikel 2, eerste lid van de Richtlijn beschreven onderzoek is een gesprek tussen het bestuursorgaan en de mogelijke veelschrijver.
  • - Het bestuursorgaan voert, voordat een burger of organisatie wordt aangewezen als veelschrijver, een gesprek met hem over het buitensporig veel corresponderen met het bestuursorgaan en/of de ambtelijke organisatie. Dit gesprek kan onder meer bijdragen aan herstel van vertrouwen, aan waarheidsvinding en kan mogelijk leiden tot het maken van (werk)afspraken.
  • - Het bestuursorgaan kan na het gesprek de burger en/of de organisatie schriftelijk informeren over het buitensporig veel corresponderen, de mogelijke gevolgen daarvan en de eventueel gemaakte werkafspraken.
  • - Van een gesprek of schriftelijke waarschuwing kan onderbouwd worden afgezien indien dit naar het oordeel van het bestuursorgaan kennelijk niet doelmatig is of redelijkerwijs niet bijdraagt aan verbetering.