De juridische basis voor de beleidsregel standplaatsenApeldoorn is neergelegd in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), meer specifiek in afdeling 4 van hoofdstuk 5 (artikelen 5:17 t/m 5:21). Daarnaast zijn de algemene artikelen 1:2 t/m 1:8 van de APV van toepassing voor de verlening van standplaatsvergunningen.
In de artikelen 1:7 en 1:8, vierde lid, van de APV, zijn specifiek bepalingen opgenomen over schaarse vergunningen. Deze artikelen vormen de juridische grondslag van de nadere regels vergunningverlening en selectieprocedure standplaatsen Apeldoorn. De toepassing van artikel 1:7 en het vierde lid van artikel 1:8, van de APV, is noodzakelijk omdat het aantal beschikbare standplaatsen in Apeldoorn beperkt is, waardoor sprake is van schaarse publieke rechten. Het college is in dat geval verplicht tot het hanteren van een eerlijke en inzichtelijke verdelingssystematiek, zoals uitgewerkt in de ‘Nadere regels vergunningverlening en selectieprocedure’.
Het standplaatsenbeleid moet daarnaast in overeenstemming zijn met hogere regelgeving zoals de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) en de Dienstenwet, die gelijke eisen stellen aan transparantie, beperkte duur van vergunningen en non-discriminatie.