In artikel 3, eerste lid, WTU-BES is bepaald wie van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen hebben. Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie vreemdelingen die van rechtswege zijn toegelaten worden uitgebreid (zie artikel 3, tweede lid, WTU-BES).
In artikel 5a WTU-BES is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over het verblijf zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf in de vrije termijn (van niet langer dan zes maanden). In de artikelen 4.1 tot en met 4.4 BTU-BES is dit uitgewerkt.
De toelating van rechtswege, bedoeld in de artikelen 3 en 5a WTU-BES, is tijdelijk.
Een vreemdeling die toelating van rechtswege heeft kan na een ononderbroken periode van ten minste vijf jaren toelating van rechtswege wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als de vreemdeling aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet (zie artikel 5.45, tweede lid, BTU-BES).
Voor de regels over de verplichting tot aanmelding na binnenkomst bij de Korpschef wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘Toegang’, paragraaf 4.6 ‘Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen’.
Ten aanzien van toelating van rechtswege is in dit hoofdstuk het volgende onderscheid gemaakt:
Nederlanders
Amerikanen
bijzondere categorieën
verblijf in de vrije termijn
Deze categorieën zijn hieronder uitgewerkt.
Ieder afzonderlijk land van het Koninkrijk heeft eigen wet- en regelgeving omtrent toelating van Nederlanders. Dit zal vooralsnog zo blijven. Dit betekent voor Nederlanders het volgende:
De toegang en toelating van Nederlanders tot het Europese deel van Nederland blijven volledig vrij. Hier verandert niets aan.
De toegang en toelating van Nederlanders tot het land Aruba worden beheerst door de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV) van het land Aruba.
De toegang en toelating van Nederlanders tot Curaçao en Sint Maarten worden sinds 10 oktober 2010 beheerst door de Landsverordeningen toelating en uitzetting (LTU) van beide, respectievelijke landen.
De toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden sinds 10 oktober 2010 beheerst door de WTU-BES.
Voor burgers van de Europese Unie en hun familieleden, ook Nederlanders, die zich naar de Caribische delen van het Koninkrijk begeven geldt dat zij geen beroep op de Europese regels betreffende het vrij verkeer van personen kunnen doen. Omdat de Caribische delen van het Koninkrijk behoren tot de zogeheten Landen en Gebieden Overzee, waarop alleen de Associatieregeling van toepassing is, zijn de Europese bepalingen en regels inzake het vrij verkeer van personen aldaar niet van toepassing.
Deze wet is, met uitzondering van hoofdstuk 2, van overeenkomstige toepassing op:
Nederlanders, geboren buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
Nederlanders die buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben.
In afwijking van het eerste lid, is deze wet niet van overeenkomstige toepassing op Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen, indien en voor zover deze wet niet op de vader of de moeder van toepassing is.
In afwijking van het eerste lid, is deze wet evenmin van overeenkomstige toepassing op Nederlanders, die:
direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba en die geboren zijn op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland, dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland de Nederlandse nationaliteit verkregen hebben;
kinderen zijn van de onder a bedoelde Nederlanders en direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
De bepalingen van de WTU-BES zijn van overeenkomstige toepassing op:
Nederlanders die door geboorte (eerste lid, sub a), naturalisatie of optie (eerste lid, sub b) buiten de eilanden of de openbare lichamen de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen; of
Nederlanders, en hun kinderen, die niet direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 tenminste een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen hun woonplaats hebben gehad (derde lid).
De bepalingen van de WTU-BES zijn niet van overeenkomstige toepassing op:
de eilandskinderen van de openbare lichamen; en
Nederlandse kinderen die op of in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en waarvan één van de ouders is aan te merken als eilandskind van de openbare lichamen (zie artikel 1a, tweede lid, WTU-BES). Dit is bijvoorbeeld het geval als de ouders primair met het oog op de ziekenhuisbevalling naar de bovengenoemde landen zijn gereisd. Ook deze kinderen zijn eilandskinderen van de openbare lichamen;
Nederlanders die op dan wel in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of het Europese deel van Nederland zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en die direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 een ononderbroken periode van tenminste een jaar in de openbare lichamen woonplaats hebben gehad (zie artikel 1a, derde lid, WTU-BES);
kinderen van de in het vorige punt genoemde Nederlanders, als ze direct voorafgaand aan 10 oktober 2010 gedurende een ononderbroken periode van tenminste een jaar hun woonplaats hebben gehad op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen.
Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.
De periode genoemd onder d wordt niet als onderbroken beschouwd door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling. In dat geval zijn de bepalingen van de WTU-BES niet van toepassing.
Alleen als de Nederlander niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen, dan wordt de Nederlander geacht zijn hoofdverblijf te hebben verplaatst. De bepalingen van de WTU-BES zijn in dat geval wel op die vreemdeling van toepassing. Met het vorenstaande wordt aangesloten bij artikel 4 WTU-BES.
Nederlanders op wie de WTU-BES (grotendeels) van overeenkomstige toepassing is mogen zonder toelating van rechtswege toegekend op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven gedurende een periode van maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar (zie de artikelen 1a en 5a WTU-BES). In dit geval is wel sprake van toelating van rechtswege, maar er wordt geen verklaring afgegeven waaruit de toekenning blijkt.
Bedoelde Nederlanders behoeven pas na zes maanden verblijf op het grondgebied van de openbare lichamen een verklaring waaruit blijkt dat hen toelating van rechtswege is toegekend. Zij moeten dan wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, vijfde of zesde lid, WTU-BES. Dit geldt ook als de Nederlander al bij binnenkomst langer dan zes maanden verblijf beoogt. Nederlanders dienen de termijn van zes maanden zelf in de gaten te houden.
Als de Nederlander binnen deze zes maanden op het grondgebied van de openbare lichamen wil werken, dan moet de Nederlander een verklaring van rechtswege aanvragen. Aan deze aanvraag zijn leges verbonden. Zie hiervoor de Regeling toelating en uitzetting BES. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.
Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.
De strekking van deze uitspraak is dat Amerikaanse onderdanen in het Caribisch Deel van het Koninkrijk – en daarmee op het grondgebied van de openbare lichamen -aanspraak hebben op gelijke behandeling als Nederlanders die niet in het Caribisch Deel van het Koninkrijk zijn geboren. Dit betekent dat Amerikaanse onderdanen, net als Nederlanders, op wie de WTU-BES (grotendeels) van overeenkomstige toepassing is, een vrije termijn van maximaal zes maanden hebben in een tijdbestek van een jaar (in plaats van drie maanden binnen een periode van zes maanden). Voorts komen zij in aanmerking voor een verklaring inzake toelating van rechtswege als ze aan de voorwaarden voldoen, waaraan ook bedoelde Nederlanders moeten voldoen.
Voor de rest geldt voor een Amerikaans onderdaan hetzelfde zoals hierboven is omschreven onder het kopje ‘Nederlanders’.
Meerderjarige Nederlanders of Amerikanen op wie de WTU-BES van (al dan niet van overeenkomstige) toepassing is hebben recht op toelating van rechtswege als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
beschikken over een gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door een bevoegde gezag, niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag, of een schriftelijke verklaring waaruit zulks genoegzaam blijkt;
beschikken over huisvesting;
beschikken over voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te voorzien.
Voor voldoende middelen van bestaan wordt verwezen naar hoofdstuk 3/1.9.3.3 CTU-BES.
De minderjarige Nederlandse of Amerikaanse kinderen van de bovengenoemde Nederlanders respectievelijk Amerikanen die toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, hebben toelating van rechtswege als één van de ouders het ouderlijk gezag heeft.
Dit betekent dat de aanvrager over een verklaring van goed gedrag moet beschikken uit alle landen waar de aanvrager de afgelopen 5 jaar heeft verbleven. De verklaring, afgegeven door de bevoegde autoriteit, mag op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder zijn dan drie maanden.
Indien de verklaring van goed gedrag recenter is afgegeven wordt deze aangemerkt als een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de WTU-BES.
Aan de volgende bijzondere categorieën personen (vreemdelingen of Nederlanders) wordt op aanvraag de toelating van rechtswege op het grondgebied van de openbare lichamen toegekend (zie artikel 3, eerste lid, WTU-BES):
vreemdelingen van overheidswege uitgezonden, zolang zij in overheidsdienst zijn;
vreemdelingen, die in dienst zijn geweest van een openbaar lichaam en uit dien hoofde pensioen of uitkering bij wijze van pensioen genieten, alsmede de niet hertrouwde weduwen van zodanige vreemdelingen;
in de openbare lichamen als zodanig toegelaten beroepsconsuls, beroepsconsulaire ambtenaren en ander consulair personeel;
militairen, gedurende de tijd dat zij in de openbare lichamen zijn gestationeerd;
opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangedaan;
de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en minderjarige kinderen van de onder a, b, c en d genoemde vreemdelingen;
vreemdelingen, in een openbaar lichaam geboren, mits zij de leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, en sinds hun geboorte onafgebroken in de openbare lichamen zijn toegelaten.
Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.
Ad b:
Zolang de vreemdeling pensioen of uitkering bij wijze van pensioen ontvangt, dan wel zolang de weduwe of weduwnaar niet is hertrouwd.
Ad c:
Zolang de vreemdeling in consulaire dienst is.
Ad d:
Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.
Ad e:
Gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.
Ad f:
Zolang de echtgenoot niet van tafel en bed is gescheiden en de kinderen nog minderjarig zijn.
De ongehuwde partner, van vreemde nationaliteit, van een vreemdeling die van rechtswege toelating heeft, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen voor een verblijfsdoel verband houdend met gezinshereniging bij partner. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is in beginsel een jaar. Als de hoofdpersoon korter dan een jaar van rechtswege is toegelaten, dan is de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de ongehuwde partner daarop afgestemd. Dit geldt ook voor de minderjarige kinderen, als deze kinderen zelf niet de Nederlandse nationaliteit hebben.
Op grond van artikel 38 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie zijn leden en plaatsvervangend leden van het Hof alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren van rechtswege toegelaten tot de landen, en daarmee in voorkomend geval ook tot de openbare lichamen. Aan de leden en plaatsvervangend leden van het Hof en hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
Gelet op het bovenstaande wordt op aanvraag een verklaring inzake toelating van rechtswege in de openbare lichamen afgegeven aan de leden en plaatsvervangend leden alsmede hun echtgenoten of geregistreerd partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Om voor een verklaring in aanmerking te komen waaruit blijkt dat de toelating van rechtswege is toegekend moet een daartoe strekkende aanvraag worden ingediend bij de IND-unit Caribisch Nederland (MBES8). Voor de aanvraag moeten leges worden betaald. Voor een verlengingsaanvraag van een verklaring van rechtswege is model MBES08a beschikbaar.
Bij het indienen van een aanvraag om een verklaring van toelating van rechtswege moeten de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt dan wel overgelegd (door zowel vreemdelingen als Nederlanders):
ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;
kopie geldig document voor grensoverschrijding;
indien van toepassing: voorzien van een geldig visum kort verblijf;
door vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g, WTU-BES: bescheiden waaruit blijkt dat men behoort tot één van de in artikel 3, eerste lid, onder a tot en met g, WTU-BES genoemde categorieën;
door Nederlanders als bedoeld in artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES:
een gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag, gedurende de laatste vijf jaren, afgegeven door het bevoegde gezag, niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag, of een schriftelijke verklaring waaruit dit genoegzaam blijkt;
bescheiden waaruit blijkt dat men beschikt over huisvesting in de openbare lichamen;
bewijs van voldoende middelen van bestaan te weten:
volledig ingevulde en ondertekende werkgeversverklaring en een kopie geldig document voor grensoverschrijding van de werkgever;
recente verklaring van de Inspecteur der Belastingen van een vastgesteld belastbaar inkomen van ten minste gelijk is aan het minimumjaarloon op grond van de Wet minimumloon BES (als werkgever een eenmansbedrijf of particulier is); of
een bankverklaring waaruit blijkt dat wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan.
bij kinderen als bedoeld in artikel 3, zesde lid, WTU-BES:
een geboorteakte van het kind;
indien van toepassing: een bewijs waaruit blijkt dat één van de in het vijfde lid bedoelde ouders het ouderlijk gezag heeft.
door (plaatsvervangend) leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, hun echtgenoten of geregistreerd partners en hun minderjarige kinderen:
het koninklijk besluit, houdende de benoeming van de aanvrager tot lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
bij hun echtgenoten of geregistreerd partners:
een huwelijksakte of akte van geregistreerd partnerschap.
bij hun minderjarige kinderen:
een geboorteakte van het kind;
indien van toepassing: een bewijs waaruit blijkt dat een van de ouders (het lid van het Hof of zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner) het ouderlijk gezag heeft.
Het gaat hier om visumplichtige toeristen die naar de openbare lichamen komen en vervolgens een verklaring van rechtswege willen aanvragen.
De aanvrager moet beschikken over een gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag uit alle landen waar hij de afgelopen vijf jaar heeft verbleven. De verklaring moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit en mag op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder zijn dan drie maanden.
Als de verklaring van goed gedrag recenter is afgegeven wordt deze aangemerkt als een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de WTU-BES.
Met betrekking tot minderjarige kinderen vanaf 12 jaar geldt het volgende: deze personen dienen in beginsel ook een verklaring van goed gedrag te overleggen. Het niet hebben van een verklaring van goed gedrag wordt echter niet tegengeworpen aan minderjarige kinderen als aangetoond kan worden dat het land van herkomst geen verklaring van goed gedrag afgeeft ten behoeve van minderjarige kinderen.
Dit geldt alleen als uit de geboorteakte blijkt dat het kind niet het biologisch kind is van beide ouders. In dat geval moet een rechterlijke uitspraak overgelegd worden waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag / voogdij aan de in de openbare lichamen verblijvende ouder is toegewezen.
Op de verklaring staat de aantekening dat de vreemdeling van rechtswege toelating tot verblijf heeft. Arbeid is vrij toegestaan. TWV is niet vereist. Aan de verklaring zijn geen beperkingen en voorschriften verbonden.
De toelating van rechtswege eindigt (zie artikel 5 WTU-BES):
door het vervallen van de reden waarom zij is toegekend;
ten aanzien van degene, die op grond van artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES van rechtswege is toegelaten, door een onafgebroken verblijf van drie jaar buiten de openbare lichamen, tenzij de vreemdeling buiten de openbare lichamen verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling.
De toelating van rechtswege eindigt van rechtswege. Dat wil zeggen dat daarvoor geen intrekkingsbeschikking of beëindigingsbeschikking nodig is. Doet één van de onder a of b genoemde omstandigheden zich voor, dan eindigt de toelating van rechtswege. De vreemdeling ontvangt een mededeling dat zijn toelating van rechtswege is geëindigd. Deze mededeling is aan te merken als een beschikking in de zin van de WarBES, zodat daartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden. De vreemdeling moet de openbare lichamen zelfstandig verlaten na bekendmaking van de beschikking.
Als de toelating van rechtswege is geëindigd en er ook geen andere grond van toepassing is op grond waarvan toelating van rechtswege bestaat, maar men wel voor een ander doel in de openbare lichamen wil verblijven, kan daartoe een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingediend. In dat geval is bij vreemdelingen in beginsel het mvv-vereiste van toepassing.
Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in artikel 3 WTU-BES, moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.
Ad a:
Deze beëindigingsgrond geldt voor alle in artikel 3, eerste, vijfde en zesde lid, WTU-BES genoemde categorieën. Dit betekent dat als niet meer aan de daar genoemde beschrijving van de betreffende categorie wordt voldaan, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid, onder a, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als de vreemdeling niet meer in overheidsdienst werkzaam is, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als de Nederlander niet langer beschikt over huisvesting dan wel over voldoende middelen van bestaan, de toelating van rechtswege eindigt.
Ten aanzien van de in artikel 3, zesde lid, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als één van de ouders niet langer voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES, de toelating van rechtswege van de minderjarige Nederlandse kinderen van die ouder eindigt.
Ad b:
Onder onafgebroken verblijf als bedoeld in artikel 5, onder b, WTU-BES wordt verstaan onafgebroken toelating van rechtswege of verblijf grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd.
De periode, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES wordt niet onderbroken door een verblijf buiten de openbare lichamen voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling, tenzij de vreemdeling aangeeft zijn toelating tot de openbare lichamen te willen opgeven (zie artikel 4, eerste lid, WTU-BES). De toelating van rechtswege van de in artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES bedoelde vreemdeling wordt geacht te zijn vervallen als de vreemdeling niet binnen een jaar na de voltooiing van zijn studie of de beëindiging van de geneeskundige behandeling is teruggekeerd naar de openbare lichamen (zie artikel 4, tweede lid, WTU-BES).
Als de toelating van rechtswege is geëindigd, betekent dit dat ook de afhankelijke toelating van de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen is geëindigd. Dit geldt echter niet voor echtgenoten die zelf op basis van artikel 3 WTU-BES van rechtswege zijn toegelaten (zie artikel 13 WTU-BES).
Als een vreemdeling, van wie de toelating van rechtswege is geëindigd, een minderjarig kind heeft dat niet zelf toelating van rechtswege heeft op grond van artikel 3, eerste lid, onder g, WTU-BES, eindigt ook de toelating van dit minderjarige kind. Dat is ook het geval als dit kind buiten de openbare lichamen verblijft voor studiedoeleinden of wegens geneeskundige behandeling (zie artikel 4, derde lid, juncto artikel 13 WTU-BES).
Op grond van artikel 5a van de WTU-BES kunnen bij of op basis van algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het verblijf zonder vergunning tot tijdelijk verblijf voor verblijf in de vrije termijn van niet langer dan zes maanden. Dit is uitgewerkt in de artikelen 4.1 tot en met 4.4 BTU-BES. Hierin zijn regels gesteld over verblijf in de zogenoemde vrije termijn, met een maximale verblijfsduur van zes maanden. Dit verblijf is aan te merken als een vorm van toelating van rechtswege.
De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in artikel 5a WTU-BES:
toeristen (artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES)
bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen (artikel 4.3 BTU-BES).
Met toerist wordt bedoeld een vreemdeling die:
niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor:
ontspanning;
sport;
gezondheidsredenen;
familieaangelegenheden;
studie;
godsdienstige doeleinden; of
zakenbezoeken; en
die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht (zie artikel 1.1, aanhef en onder g, BTU-BES).
Voor specifieke voorschriften omtrent het verkrijgen toegang wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Toeristen mogen ingevolge artikel 4.2 BTU-BES zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden.
Op grond van artikel 4.2, tweede lid BTU-BES zijn toeristen onderworpen aan de bepalingen die gelden voor vreemdelingen die tot verblijf bij vergunning verleend zijn toegelaten. Zie hiervoor hoofdstuk 3 CTU-BES.
Indien men korter dan drie maanden in de openbare lichamen wenst te verblijven hoeft men niet te voldoen aan de voorwaarde van bereidheid om mee te werken aan een onderzoek naar of behandeling van tuberculose.
Voor specifieke voorschriften over het verkrijgen van toegang in de openbare lichamen wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘toegang’, paragraaf 7.3.
Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie artikel 4.3 BTU-BES).
Op grond van artikel 6.46 BTU-BES moet een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen, om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon melden bij de Korpschef.
Het is niet nodig dat toeristen en bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen een verklaring, als bedoeld in artikel 3, derde lid, WTU-BES, aanvragen waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating in de openbare lichamen hebben.
Behalve voor de categorieën als genoemd in paragraaf 4.2 geldt er op grond van artikel 4.4 BTU-BES voor sommige gevallen een afwijkende termijn gedurende welke het aan vreemdelingen is toegestaan in de vrije termijn in de openbare lichamen te verblijven:
voor houders van een doorreisvisum en voor vreemdelingen aan wie uitsluitend voor doorreis een bijzonder doorlaatbewijs is afgegeven, is verblijf toegestaan zolang als de voortzetting van hun reis noodzakelijk is;
voor houders van een doorreisvisum met de bevoegdheid tot oponthoud of voor houders van een reisvisum is verblijf toegestaan voor de duur waarvoor het visum is afgegeven of is verlengd.
in geval van bijzondere omstandigheden kan de termijn worden verlengd van drie maanden naar zes maanden;
voor overige vreemdelingen geldt een termijn van acht dagen.
Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
Indien het een visum voor meer reizen betreft is verblijf toegestaan voor de duur waarvoor onafgebroken verblijf is toegestaan zoals in het visum is aangegeven.
De termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.
De verlengingsmogelijkheid van drie naar zes maanden is slechts bedoeld voor uitzonderlijke situaties, zoals overmacht.
Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:
het geval van overwinteraars;
vreemdelingen die tijdens het orkaanseizoen men een boot een ligplaats innemen op bijvoorbeeld Bonaire.
Voor deze situatie gelden aanvullend de volgende voorwaarden:
De termijn verstrijkt in geen geval later dan op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan drie maanden binnen een tijdsvak van zes maanden in de openbare lichamen te verblijven.
In afwijking van het genoemde onder I verstrijkt de termijn in geval van verlenging wegens bijzondere omstandigheden, niet later dan de achtste dag nadat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling het voornemen heeft langer dan zes maanden in de openbare lichamen te blijven.
Artikel 2
Toelating van rechtswege
Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht
Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010
Verwijzingen
- artikel 6
- artikel 5
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 4
- artikel 1a
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 10
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 4
- artikel 1a
- artikel 3
- artikel 1
- artikel 10
- artikel 4
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 3
- artikel 38 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie
- artikel 5