Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Arbeid in loondienst

Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 8 oktober 2010

In artikel 5.20 BTU-BES is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor arbeid in loondienst, als er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn. Als aan één of meer van de in artikel 5.20 BTU-BES genoemde verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie artikel 9 WTU-BES) van toepassing is, is Onze Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt, worden aangegeven in de CTU-BES. Gelet op artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES wordt, met inachtneming van een aantal procedurele bepalingen, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst verleend aan de buitenlandse werknemer: die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten; en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt van de openbare lichamen een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wav BES is afgegeven. Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten. Artikel 5.21 BTU-BES bepaalt dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen of het verlenen van seksuele diensten. Onze Minister is verantwoordelijk voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de WTU-BES. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot de toelating tot de arbeidsmarkt van de openbare lichamen op grond van de Wet arbeid vreemdelingen BES (Wav BES). Hij heeft de uitvoering van de Wav BES gedelegeerd aan de RCN-unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de openbare lichamen. Op grond van artikel 2, eerste lid, Wav BES, is het een werkgever verboden een vreemdeling in de openbare lichamen arbeid te laten verrichten zonder dat de werkgever in het bezit is van een geldige TWV. Op grond van de WTU-BES wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning is voldaan. Op grond van de Wav BES wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een TWV is voldaan door de werkgever waarvoor de vreemdeling arbeid wil gaan verrichten. De procedures die op grond van de WTU-BES en de Wav BES moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar. Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang. Het werkgeversbegrip verwijst niet naar een juridische verhouding, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar naar de feitelijke situatie, waarbij een vreemdeling feitelijk arbeid verricht in opdracht van of voor een ander. Als gevolg van het brede werkgeversbegrip kunnen zich situaties voordoen dat een vreemdeling voor hetzelfde werk meerdere werkgevers heeft (uitzendarbeid, aanneming van werk). Met hetzelfde werk wordt hier letterlijk bedoeld hetzelfde werk (dus niet hetzelfde soort werk of dezelfde soort functie bij meerdere werkgevers). Als één van de werkgevers al beschikt over een TWV voor het betreffende werk, hoeven andere werkgevers geen TWV aan te vragen (zie voorbeeld 1). Als de vreemdeling meerdere werkgevers heeft als gevolg van het feit dat hij ook meerdere banen heeft, geldt dat elk van de werkgevers over een TWV moet beschikken voor de werkzaamheden die de vreemdeling voor die betreffende werkgever verricht (zie voorbeeld 2). Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A dat hem heeft ingeleend van bouwbedrijf B. Bouwbedrijf B heeft in beginsel de TWV voor de tewerkstelling van Luciano bij bouwbedrijf A. Als bouwbedrijf B de TWV niet heeft, moet bouwbedrijf A de TWV aanvragen. Luciano verricht arbeid als metselaar bij bouwbedrijf A voor 3 dagen in de week. Daarnaast verricht hij werkzaamheden als metselaar bij bouwbedrijf B voor 2 dagen in de week. Beide bouwbedrijven moeten in dit geval een TWV hebben. Luciano werkt bij een ICT-bedrijf dat hem bij verschillende werkgevers opdrachten laat uitvoeren. Het ICT-bedrijf moet beschikken over een TWV, op basis waarvan Luciano bij verschillende klanten opdrachten in de ICT-sector mag uitvoeren. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst zijn (zie artikel 5.20 BTU-BES): geldige TWV (zie artikel 9, eerste lid, omder b WTU-BES, artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES en artikel 2, eerste lid, Wav-BES); geldige MVV (zie artikel 9, eerste lid, onder a, en derde lid, WTU-BES en artikel 5.30 BTU-BES); geldig document voor grensoverschrijding (zie artikel 5.31 BTU-BES); zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES en de artikelen 5.32 tot en met 5.34 BTU-BES, als ook de uitzondering van artikel 5.20, derde lid, BTU-BES indien de TWV is afgegeven met een geldigheidsduur van korter dan één jaar); geen gevaar voor openbare orde en de nationale veiligheid (zie artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES); bereidheid een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken, tenzij de uitzondering van artikel 5.20, tweede lid, onder d, BTU-BES van toepassing is (artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES, artikel 5.20, tweede lid, onder d, BTU-BES en artikel 4.3 RTU-BES). De van TWV-plicht vrijgestelde categorieën worden beschreven in artikel 7 Besluit uitvoering Wav BES. Als er geen voor arbeid geldige verblijfsvergunning is aangevraagd, is dat een dwingende grond om een TWV te weigeren op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, Wav BES. Andersom zal een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of verlenging daarvan worden afgewezen als de vreemdeling arbeid verricht zonder dat voor die arbeid een TWV is verleend (zie artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WTU-BES en artikel 5.20, eerste lid, BTU-BES). De vreemdeling moet de volgende bescheiden overleggen: ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; kopie geldig document voor grensoverschrijding; indien van toepassing: voorzien van een geldige mvv welke is afgegeven voor het gevraagde verblijfsdoel; geldige TWV of aanvraag TWV; recente ingevulde en ondertekende werkgeversverklaring (MBES29) en kopie paspoort werkgever; recente verklaring van de Inspectie der Belastingen van een vastgesteld belastbaar inkomen dat ten minste gelijk is aan het brutojaarinkomen op grond van de Wet minimumloon BES (als werkgever een eenmansbedrijf is); kopie vestigingsvergunning werkgever (als werkgever een rechtspersoon is); uittreksel Kamer van Koophandel, niet ouder dan zes maanden (bij wijziging van werkgever); ingevulde en ondertekende garantstelling (MBES26); ondertekende antecedentenverklaring (is geïntegreerd in het aanvraagformulier); gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag, afgegeven door een bevoegde autoriteit (niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag); indien van toepassing: bewijs onderzoek TBC; kopie bewijs ziektekostenverzekering (geïntegreerd in het aanvraagformulier). Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler. Van belang is de volgorde waarin de aanvragen worden ingediend en de volgorde waarin daarop wordt beslist. Ook is het belangrijk dat de bij de beslissingen betrokken instanties informatie met elkaar uitwisselen over de bij hen ingekomen aanvragen en hun beslissingen daarop. Hierdoor wordt voorkomen dat er een vicieuze cirkel ontstaat. Om deze reden is in de openbare lichamen een 1-loket procedure ingericht. Om de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling van aanvragen om toelating en om een TWV te bevorderen en om een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND-unit Caribisch Nederland en de RCN-unit SZW te waarborgen, kunnen aanvragen om een mvv /verblijfsvergunning én om een TWV bij het loket van de IND-unit Caribisch Nederland worden ingediend. De werkgever vraagt ten behoeve van de vreemdeling die in de openbare lichamen arbeid in loondienst wil gaan verrichten, bij het loket van de IND-unit Caribisch Nederland zoveel mogelijk gelijktijdig een TWV én een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst aan. Als de vreemdeling niet mvv-plichtig is, dient de werkgever bij het loket een aanvraag om een TWV in en dient de vreemdeling, zoveel mogelijk gelijktijdig, een aanvraag in om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Als de vreemdeling zelf de aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt deze aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar de IND-unit Caribisch Nederland. Na ontvangst van deze mvv-aanvraag wordt de werkgever door de IND-unit Caribisch Nederland uitgenodigd om bij het loket een TWV-aanvraag in te dienen. De formulieren voor het aanvragen van een TWV, een mvv en een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn in ieder geval verkrijgbaar bij het loket van de IND-unit Caribisch Nederland. In de aanvraagformulieren staan welke gegevens en bescheiden bij het indienen van de aanvraag overgelegd moeten worden. Bij het indienen van een aanvraag moet het formulier: volledig zijn ingevuld; zijn ondertekend; en zijn voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden. De IND-unit Caribisch Nederland stuurt de TWV-aanvraag ter behandeling door naar de RCN-unit SZW. Deze voert een arbeidsmarkttoets uit en neemt een beslissing op de aanvraag om een TWV. Vervolgens wordt deze beslissing dan wel de TWV doorgestuurd naar de IND-unit Caribisch Nederland. Zodra de beslissing op de TWV-aanvraag bij de IND-unit Caribisch Nederland bekend is, neemt IND-unit Caribisch Nederland een beslissing op de aanvraag om een mvv of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Als de aanvraag om een TWV is afgewezen, wordt ook de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen. Als de aanvraag om een TWV is ingewilligd, wordt in de regel ook de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning ingewilligd. Dit laatste hoeft echter niet per se het geval te zijn. Het kan voorkomen dat de aanvraag om een TWV is ingewilligd, maar dat niet aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt voldaan. Uitzondering: als meteen al duidelijk is dat de mvv of verblijfsvergunning moet worden geweigerd, ongeacht of er wel of geen TWV wordt verleend, wordt de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning direct afgewezen en wordt niet gewacht op de beslissing van de RCN-unit SWZ op de aanvraag om een TWV. Hierbij moet met name worden gedacht aan gevallen waarin de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning wordt afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. De RCN-unit SZW wordt zo snel mogelijk van de beslissing op de aanvraag om een mvv of verblijfsvergunning in kennis gesteld, vanwege de te nemen beslissing op de TWV-aanvraag. De beslissingen op de aanvragen om een TWV en om een mvv/verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden beide in beginsel bekendgemaakt door uitreiking in persoon van de beschikkingen aan het loket van de IND-unit Caribisch Nederland. In beginsel vindt dit zoveel mogelijk gelijktijdig plaats (zie voor regels over bekendmaking van besluiten hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.6) Als een werkgever een vreemdeling arbeid laat verrichten in de zin van de Wav BES, zonder dat hij in het bezit is van de vereiste TWV, wordt vermoed dat die vreemdeling gedurende tenminste zes maanden werkzaam is geweest voor die werkgever (zie artikel 20 Wav BES). Met behulp van dit rechtsvermoeden kan een vreemdeling een loonvordering instellen. Voor het doorlopen van deze procedure in de openbare lichamen wordt aan de illegale vreemdeling echter geen verblijf toegestaan. Aanvragen om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant worden eveneens bij het loket van de IND-unit Caribisch Nederland ingediend als: de hoofdaanvrager (degene bij wie verblijf wordt beoogd) op grond van arbeid in loondienst verblijf in de openbare lichamen vraagt; en de aanvragen tegelijkertijd met die van de hoofdaanvrager worden ingediend door middel van het daarvoor bestemde formulier (MBES3). Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag om toelating van gezinsleden door het loket van de IND-unit Caribisch Nederland, samen met die van de hoofdaanvrager, is verder alleen mogelijk: in geval van een huwelijk dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog buiten de openbare lichamen verbleven; in geval van een relatie die reeds bestond toen beide partners nog buiten de openbare lichamen verbleven; voor de uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin; voor de niet uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. Aanvragen verband houdend met adoptie en opname als pleegkind worden niet gelijktijdig met de aanvraag van de hoofdaanvrager afgehandeld. Voor gezinsleden gelden daarnaast de in hoofdstuk 3 neergelegde toepasselijke voorwaarden, waaronder de voorwaarden inzake legalisatie en verificatie van documenten. Gezinsleden van arbeidsmigranten zijn niet vrij op de arbeidsmarkt. Als zij willen werken, moet de werkgever beschikken over een TWV. Voor verblijf in de openbare lichamen verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst moet de werkgever van de vreemdeling beschikken over een TWV en de vreemdeling over een verblijfsvergunning. De beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd enerzijds en de beslissing op de aanvraag om een TWV anderzijds beïnvloeden elkaar. Met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt gewacht totdat op de aanvraag om een TWV is beslist. Wordt de TWV verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Mogelijke situaties: De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een dwingende weigeringsgrond voor een TWV (zie artikel 8, eerste lid onder e, Wav BES). Door, als dat mogelijk is, direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen wordt de ongewenste situatie voorkomen dat achteraf het verblijf moet worden ontzegd aan een vreemdeling, die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten. Er wordt direct op een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beslist als sprake is van de weigeringsgronden van artikel 9 WTU-BES: gevaar voor de openbare orde (zie artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES); onvoldoende middelen van bestaan; niet meewerken aan onderzoek naar of behandeling van TBC van de ademhalingsorganen, tenzij dat wegens de nationaliteit van de vreemdeling niet is toegestaan (zie artikel 5.20, tweede lid, onder d, BTU-BES). In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de IND-unit Caribisch Nederland een verblijfsaantekening in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling. Als de aanvraag om een TWV wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, wordt als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst geweigerd. De TWV wordt verleend Een vreemdeling, die naar de openbare lichamen komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND-unit Caribisch Nederland. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, wordt hij daarom niet uit de openbare lichamen verwijderd. De verlening van een TWV betekent dat met de komst van een vreemdeling een wezenlijk belang is gediend. De verblijfsvergunning zal dan ook in principe worden verleend, tenzij één van de weigeringsgronden van artikel 9 WTU-BES van toepassing is. Een weigering de geldigheidsduur te verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de intrekking ervan en ook intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vormt op grond van artikel 10, onder b, Wav BES een dwingende reden voor intrekking van de TWV. Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid in loondienst als praktikant toetst de RCN-unit SZW of de vreemdeling met de voorgenomen arbeid een salaris zal ontvangen dat: tenminste op het voor de desbetreffende functie gebruikelijke niveau ligt; en gelijk is aan; of hoger is dan het bruto minimumloon, genoemd in artikel 9 van de Wet minimumlonen BES, na aftrek van de daarop in te houden loonheffing. Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair toetst de RCN-unit SZW of de vreemdeling een stagevergoeding ontvangt van minimaal 50% van het bruto minimumloon, genoemd in artikel 9 van de Wet minimumlonen BES, na aftrek van de daarop in te houden loonheffing. Als in de hiervoor genoemde gevallen ten behoeve van de vreemdeling een TWV is afgegeven, is daarmee ook aangetoond dat is voldaan aan het vereiste om zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 5.33 BTU-BES). De in hoofdstuk 3 genoemde bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst hoeven dan niet overgelegd te worden. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie artikel 5.27 BTU-BES). Een TWV wordt voor bepaalde tijd afgegeven (zie artikel 7 Wav-BES). In normale gevallen is de geldigheidsduur van een TWV gelijk aan de duur van het arbeidscontract. De maximale geldigheidsduur van een TWV is drie jaar. Er kan daarna (ook door dezelfde werkgever, ten behoeve van dezelfde werknemer en voor hetzelfde werk) wel een nieuwe TWV worden aangevraagd en verleend. De maximale geldigheidsduur van de verblijfsvergunning met als verblijfsdoel het verrichten van arbeid in loondienst is daarom drie jaar. Dit komt overeen met de maximale duur waarvoor een TWV kan worden afgegeven. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan daarna telkens worden verlengd met de duur van daarop volgende tewerkstellingen. Het is van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Is dat niet zo, dan moet tijdig (d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd), contact worden opgenomen met het loket van de IND unit Caribisch Nederland om verlenging van de verblijfsvergunning aan te vragen, als dat mogelijk is. Arbeid in loondienst is een niet-tijdelijk verblijfsdoel (zie artikel 5.3, derde lid, BTU-BES). Als aan de hierboven in 2.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij ............ (naam werkgever)’. Op de verblijfsvergunning staat in beginsel de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’. (Zie artikel 6.17, derde lid, onder b, BTU-BES). Als een vreemdeling voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst wordt toegelaten, wordt ook een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument geplaatst. Deze aantekening is afhankelijk van het doel waarvoor verblijf is toegestaan. In de desbetreffende hoofdstukken staat welke arbeidsmarktaantekening dan geldt. Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden: de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES); schriftelijke garantstelling door een solvabele derde (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES en hoofdstuk 3, paragraaf 1.7). Het uitgangspunt is dat een solvabele derde een natuurlijk persoon is. Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever, mits deze solvabel is. Bij verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging bij een hoofdpersoon, die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel die daarvoor een aanvraag heeft ingediend, moet de schriftelijke garantstelling worden ondertekend door de werkgever van de hoofdpersoon, mits deze solvabel is. Een werkgever wordt geacht solvabel te zijn als aan hem een TWV is verleend voor de door de vreemdeling te verrichten arbeid. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst door deze categorie buitenlandse werknemers zijn (zie artikel 5.20 BTU-BES en artikel 3 Wav BES): geldige MVV (zie artikel 9, eerste lid, onder a, en derde lid, WTU-BES en artikel 5.30 BTU-BES); geldig document voor grensoverschrijding (zie artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES en artikel 5.31 BTU-BES); duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan (zie artikel 9, eerste lid, onder b en c, WTU-BES en de artikelen 5.32, 5.33 en 5.34 BTU-BES); geen gevaar voor openbare orde (zie artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES); bereidheid een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken, tenzij de uitzondering van artikel 5.20, tweede lid, onder d, BTU-BES van toepassing is (artikel 9, eerste lid, onder b, WTU-BES, artikel 5.20, tweede lid, onder d, BTU-BES en artikel 4.3 RTU-BES). Zie voor de vereiste bescheiden paragraaf 2.2 met uitzondering van een geldige TWV. Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor (zie artikel 3 Wav BES): een vreemdeling die ingevolge artikel 3, eerste lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen heeft; een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomsten met andere mogendheden dan wel bij een voor de openbare lichamen verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie een TWV niet mag worden verlangd; een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in de openbare lichamen, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige; en een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, die per openbaar lichaam kan verschillen, dan wel een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden verricht, welke categorie per openbaar lichaam kan verschillen. Ter uitvoering van d zijn in de artikelen 7 en 8 van het Besluit uitvoering Wav BES een aantal categorieën vreemdelingen respectievelijk werkzaamheden aangewezen waarvoor geen TWV is vereist. Vreemdelingen die tot één van deze aangewezen categorieën behoren, kunnen aan die aanwijzing op zichzelf geen aanspraak ontlenen op een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd. Het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten geldt niet voor een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister waaruit blijkt dat aan die verblijfsvergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling: die beschikt over een door Onze Minister afgegeven verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd; die als huwelijkspartner of niet-huwelijkspartner duurzaam samenleeft met een Nederlander die is geboren in één van de openbare lichamen, met een Nederlander die op grond van artikel 3 van de WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf heeft in de openbare lichamen (zie artikel 7 Besluit uitvoering Wav BES), dan wel een persoon die tijdens verblijf in een openbaar lichaam de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen door optie of naturalisatie; die beschikt over een door Onze Minister afgegeven verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 12a WTU-BES. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ als hij in ieder geval voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 5.20, tweede lid, onder b, c en e, BTU-BES. Vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en die hun verlof willen doorbrengen in de openbare lichamen, komen op deze grond niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor de duur van maximaal drie maanden (zie artikel 4.3 BTU-BES). Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd. Vreemdelingen die als bemanningslid van internationale schepen en luchtvaartuigen werkzaam zijn, komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor een periode van maximaal drie maanden (zie artikel 4.3 BTU-BES). Zij hebben toelating van rechtswege op grond van artikel 5a WTU-BES. Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart en scheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. De toelating van rechtswege voor de duur van maximaal 3 maanden vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig. De verbodsbepaling van de Wav BES is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in de openbare lichamen gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten de openbare lichamen geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (zie artikel 8, onder b, Besluit uitvoering Wav-BES). Als een vreemdeling: zijn hoofdverblijf binnen de openbare lichamen heeft; óf een arbeidsovereenkomst met een in de openbare lichamen gevestigde werkgever; óf arbeid op een binnen de openbare lichamen geregistreerd vervoermiddel verricht, is een TWV vereist. In geval van een beoogd verblijf van langer dan drie maanden moet er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning en indien nodig een mvv te worden ingediend. Als de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder hoofdstuk 3). Van bovengenoemde buitenlandse werknemers moeten worden onderscheiden opvarenden van tot de zee- of luchtmacht van enige mogendheid behorende schepen of luchtvaartuigen. Artikel 3, eerste lid, onder e, WTU-BES bepaalt dat deze opvarenden van rechtswege toelating tot verblijf hebben in de openbare lichamen, gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteiten worden aangedaan. Laatstgenoemde vreemdelingen hoeven derhalve niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, WTU-BES. Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is om de opleiding in het land van herkomst te kunnen voltooien. Onder praktikant wordt verstaan een vreemdeling die naar de openbare lichamen komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is. In artikel 5.20 BTU-BES staan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair of praktikant. Zie de onder dit hoofdstuk, paragraaf 2.1 genoemde voorwaarden. Artikel 14, eerste lid, Besluit uitvoering Wav-BES bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als stagiair wil gaan verrichten, voor maximaal een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets. Artikel 15, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES bepaalt dat een TWV voor de vreemdeling die arbeid als praktikant wil gaan verrichten, voor maximaal 24 weken in een periode van een jaar kan worden verleend zonder arbeidsmarkttoets. Zie voor de vereiste bescheiden hoofdstuk 3 CTU-BES. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair bij ...(naam werkgever)’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als praktikant bij... (naam werkgever)’. Deze verblijfsvergunningen zijn tijdelijk van aard (zie artikel 5.3, eerste lid, onder d, BTU-BES). Dit moet uitdrukkelijk steeds worden vermeld in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend. Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’. Aan de verlening van de verblijfsvergunning worden de volgende voorschriften verbonden: de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES); schriftelijke garantstelling door een solvabele derde (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES en hoofdstuk 3, paragraaf 1.7). Hier gelden de beleidsregels zoals vermeld in 2.6.3. Het verblijf als stagiair en praktikant is op grond van artikel 5.3, tweede lid, onder d, BTU-BES tijdelijk. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar. De geldigheid van de verblijfsvergunning voor praktikanten beloopt niet langer dan 24 weken. Voor stagiaires geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling één jaar houder van deze verblijfsvergunning is geweest. Voor praktikanten geldt dat een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst als praktikant voor hetzelfde doel wordt afgewezen, als de vreemdeling 24 weken houder van deze verblijfsvergunning is geweest. Voortzetting van verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant wordt dus niet toegestaan. Dit volgt uit het feit dat de TWV voor het verrichten van arbeid als stagiair of praktikant slechts voor maximaal een jaar respectievelijk 24 weken kan worden verleend. Voortzetting van het verblijf is wel mogelijk als artikel 5.24 BTU-BES van toepassing is (zie hoofdstuk 15). Vreemdelingen mogen als toerist in de openbare lichamen binnenkomen en er in beginsel maximaal drie maanden verblijven zonder verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd (zie artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES). Deze periode van drie maanden is de vrije termijn. Zodra een toerist in de vrije termijn arbeid in loondienst gaat verrichten, is hij niet meer aan te merken als toerist. Hij valt dan immers niet meer onder de definitie van toerist, zoals vermeld in artikel 1.1, onder g, BTU-BES. De vrije termijn voor deze vreemdelingen bedraagt in beginsel drie maanden (zie artikel 5a WTU-BES en artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES). Deze vreemdeling moet zich in dat geval melden bij de korpschef (zie paragraaf 4.4.2). Het is mogelijk om in de vrije termijn arbeid in loondienst te verrichten in de openbare lichamen. De werkgever zal in dat geval vaak wel moeten beschikken over een TWV voor de vreemdeling. Vreemdelingen die verblijf hebben in de vrije termijn en in die periode arbeid in loondienst verrichten zijn bijvoorbeeld: vreemdelingen die op basis van een arbeidsovereenkomst voor maximaal drie maanden in de openbare lichamen willen werken; vreemdelingen die in de openbare lichamen een korte stage, van maximaal drie maanden of binnen de geldigheidsduur van het hun verleende visum, willen lopen; grensarbeiders. De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten als bedoeld in artikel 5a WTU-BES en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, meldt dit onmiddellijk bij de korpschef (artikelen 6.38, eerste lid, BTU-BES). Deze meldplicht geldt niet als de vreemdeling (zie artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES): in het bezit is van een geldige mvv voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan; of aannemelijk kan maken dat hij naar de openbare lichamen is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende een periode van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst; of naar de openbare lichamen is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip. Dit kan onder meer aannemelijk gemaakt worden aan de hand van een arbeidsovereenkomst voor de duur van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling. Visumplichtige vreemdelingen die voor maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden arbeid in loondienst willen gaan verrichten in de openbare lichamen, moeten daarvoor eerst een visum aanvragen bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst met als reisdoel arbeid. De vreemdeling dient daartoe bij de Nederlandse vertegenwoordiging een geldige TWV en een arbeidsovereenkomst te overleggen. Indien het visum wordt afgegeven moet de vreemdeling na binnenkomst in de openbare lichamen en binnen de maximaal toegestane verblijfsduur van het visum, bij de IND-unit Caribisch Nederland een aanvraag indienen om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Voor verlening van deze verblijfsvergunning gelden in beginsel de verblijfsvoorwaarden als vermeld in paragraaf 2.1, behalve het mvv-vereiste. Verder geldt het volledige legestarief voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst, zoals vermeld in artikel 4.1, tweede lid, onder a, RTU-BES. Als aan alle geldende verblijfsvoorwaarden wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor arbeid in loondienst in dit geval worden verleend voor de duur waarvoor de TWV ten behoeve van die arbeid in verleend. Als de visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst of voor een ander verblijfsdoel, moet daarvoor eerst een mvv-aanvraag worden ingediend en moet de vreemdeling de uitkomst daarvan in zijn land van herkomst afwachten, tenzij hij valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Na afgifte van de mvv kan hij een aanvraag indienen om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel een aanvraag om wijziging van de beperking. Niet-visumplichtige vreemdelingen en Nederlanders die op basis van een arbeidsovereenkomst voor maximaal drie maanden in de openbare lichamen arbeid in loondienst willen verrichten, hebben een vrije termijn van drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden (zie artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES). Binnen deze termijn hoeven zij niet in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel van een verklaring waaruit blijkt dat men toelating van rechtswege heeft. Ook geldt voor hen geen meldplicht, als zij aannemelijk kunnen maken dat zij naar de openbare lichamen zijn gekomen om arbeid te verrichten voor een periode van maximaal drie maanden, te rekenen vanaf hun binnenkomst (zie paragraaf 4.4.2). In het geval van de niet-visumplichtige vreemdelingen zal de werkgever in beginsel wel in het bezit moeten zijn van een geldige TWV voor deze arbeid. Als een Nederlander gedurende zijn verblijf als toerist in de vrije termijn van zes maanden besluit om arbeid in loondienst te gaan verrichten, is op hem niet langer artikel 4.2, derde lid, BTU-BES van toepassing en bedraagt zijn vrije termijn vanaf dat moment drie maanden, te rekenen vanaf datum binnenkomst in de openbare lichamen. Als de vrije termijn van drie maanden op dat moment al is verstreken, moet de Nederlander binnen acht dagen nadat hij arbeid is gaan verrichten, een verklaring aanvragen waaruit zijn toelating van rechtswege op grond van artikel 3 van de WTU-BES blijkt (zie artikel 4.4, tweede lid, BTU-BES). Als de niet-visumplichtige vreemdeling langer dan drie maanden in de openbare lichamen wil verblijven, voor het verrichten van arbeid in loondienst dan wel voor een ander verblijfsdoel, moet hij daarvoor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen. Voor mvv-plichtige vreemdelingen die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, geldt nu wel het mvv-vereiste, tenzij men valt onder één van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste. Voor mvv-plichtige vreemdelingen dient nu eerst een mvv-aanvraag ingediend te worden. De uitkomst daarvan moet de vreemdeling in zijn land van herkomst afwachten. Dit om te voorkomen dat met het verblijf voor kortdurende arbeid het mvv-vereiste wordt omzeild. Nederlanders die na drie maanden arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor korte duur langer in de openbare lichamen willen verblijven, moeten daarvoor een verklaring aanvragen waaruit blijkt dat zij toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3 van de WTU-BES. Dit zijn in de openbare lichamen tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in een ander land, binnen of buiten het Koninkrijk, waarheen zij dagelijks, of ten minste eenmaal per week, terugkeren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om vreemdelingen die in Curaçao, Sint Maarten of Aruba verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning voor Curaçao, Sint Maarten of Aruba en die in één van de openbare lichamen werken. Ook kan het gaan om vreemdelingen die in een land buiten het Koninkrijk verblijf houden en aldaar in het bezit zijn van een verblijfsvergunning dan wel de nationaliteit hebben van dat land, en die in één van de openbare lichamen werken. Doordat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, op grond van artikel 4.4 BTU-BES, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben. Ook zijn de artikelen 6.45 en 6.46 BTU-BES over de aanmeldingsplicht niet op grensarbeiders van toepassing, omdat deze arbeiders vallen onder de uitzonderingscategorie van artikel 6.38, tweede lid, onder b, BTU-BES. geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie artikel 4.1 en artikel 3.7 BTU-BES en hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.4); voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf in de openbare lichamen en voor de terugreis (zie artikel 4.1 en artikel 3.8 BTU-BES); voorwaarden tot het stellen van zekerheid (zie de artikelen 4.1 en 3.9 BTU-BES); maximaal acht dagen (zie artikel 4.4, eerste lid, onder d, BTU-BES); geldige TWV. De zekerheid bestaat uit het overleggen van een verklaring van een solvabele derde die zich voor de kosten garant stelt (zie artikel 3.9, tweede lid, onder c, BTU-BES). In dit geval moet deze verklaring door de werkgever worden ondertekend. Van de overige in artikel 3.9, tweede lid, BTU-BES genoemde zekerheidstellingen wordt in beginsel geen gebruik gemaakt. De vreemdeling moet steeds binnen acht dagen terug reizen naar zijn land van herkomst, omdat zijn vrije termijn maximaal acht dagen is. De werkgever moet in beginsel in het bezit zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in artikel 3 Wav BES en de artikelen 7 en 8 Besluit uitvoering Wav BES). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Met het oog daarop kan de vreemdeling zich melden bij de IND-unit Caribisch Nederland, die hem een verklaring afgeeft als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 3, derde lid, WTU-BES). De TWV-plicht voor de werkgever geldt niet in het volgende geval: de vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen; en verricht gedurende maximaal 4 aaneengesloten weken in een periode van 13 weken incidentele arbeid; en de incidentele arbeid bestaat uitsluitend uit werkzaamheden genoemd in artikel 8, onder a, sub 1 tot en met 5, Besluit uitvoering Wav BES., namelijk: het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen, indien deze vreemdeling ook al werkzaam is in de huishouding van de desbetreffende toeristen in het land van herkomst; het monteren of repareren van door zijn buiten de openbare lichamen gevestigde werkgever geleverde machines of apparatuur, dan wel het installeren en aanpassen van door zijn buiten de openbare lichamen gevestigde werkgever geleverde software of het instrueren over het gebruik daarvan; het werkzaam zijn als artiest, musicus of beeldend kunstenaar; het werkzaam zijn als accountant, olie-inspecteur, advocaat, bankier of als technicus telecommunicatie in dienst van een werkgever die is gevestigd het buiten het openbaar lichaam waar de werkzaamheden worden verricht; het voeren van zakelijke besprekingen. Als deze vreemdelingen echter niet onder de omschrijving van artikel 8, onder a, Besluit uitvoering Wav BES vallen, moet de werkgever wel in het bezit zijn van een TWV. Voor vreemdelingen die op grond van artikel 3, eerste lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf hebben, hoeft de werkgever niet in het bezit te zijn van een TWV. Zie verder hoofdstuk 2. Vaak zijn directeuren-(groot)aandeelhouders feitelijk aan te merken als zelfstandig ondernemers vanwege hun positie binnen de onderneming. Als zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van hun salaris zelf kunnen beïnvloeden, moeten zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aanvragen. Als zij niet aan deze voorwaarden voldoen, is de procedure voor werknemers van toepassing. Zie in dat geval de voorwaarden voor verblijf genoemd in dit hoofdstuk, paragraaf 2.1. Let op: voor de vreemdeling aan wie op grond van de Wet vestiging bedrijven BES een directievergunning is verleend, hoeft geen TWV te zijn afgegeven. Vreemdelingen die in het kader van dienstverlening in de openbare lichamen werken, worden wat betreft de TWV-plicht gelijk behandeld als vreemdelingen die bij een werkgever in de openbare lichamen gaan werken. De opdrachtgever of, als de dienstverrichter in loondienst werkzaam is voor een buitenlandse dienstverlener, de werkgever van deze dienstverrichter, moet in het bezit zijn van een TWV. De procedure van paragraaf 2.3 is van toepassing. Het kan bijvoorbeeld gaan om een buiten de openbare lichamen gevestigd bouwbedrijf dat in opdracht van een in de openbare lichamen gevestigde persoon of bedrijf een woning of kantoorpand bouwt in de openbare lichamen of om een bedrijf dat een buiten de openbare lichamen gevestigd bedrijf opdracht geeft tot het aanleggen van een ICT-systeem. De vreemdeling die in dienst is van dat buiten de openbare lichamen gevestigde bedrijf verricht diensten voor de binnen de openbare lichamen gevestigde opdrachtgever en valt in beginsel onder de TWV-plicht. Hieronder zijn factoren genoemd die van invloed kunnen zijn op het verblijfsrecht van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Daarnaast kunnen er algemene gronden zijn die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging. Zie daarvoor hoofdstuk 3, paragraaf 1.12.3. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken als de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wav BES is voldaan (zie artikel 14, onder e, WTU-BES jo. artikel 5.21, eerste lid, BTU-BES). Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling: arbeid verricht zonder dat zijn werkgever in het bezit is van de vereiste TWV; of andersoortige arbeid verricht dan die waarvoor de TWV werd verleend. In dat geval wordt immers niet meer voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan de vreemdeling is verleend. Beleidsregel: Werkloosheid is niet van invloed op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Werkloosheid kan wel van invloed zijn op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. Bij werkloosheid is de buitenlandse werknemer verplicht dit onmiddellijk te melden aan de korpschef (zie artikel 6.39 BTU-BES), omdat hij hierdoor niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend. Als de buitenlandse werknemer onvrijwillig werkloos is geworden, wordt zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om die reden ingetrokken zodra: zes weken zijn verstreken sinds het ontstaan van de werkloosheid en hij niet heeft aangetoond in die zes weken een nieuwe werkplek te hebben gevonden waarvoor een TWV is afgegeven. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan in dat geval op twee gronden worden ingetrokken: op grond van artikel 14, onder e, WTU-BES. Er wordt dan immers niet meer voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend; op grond van artikel 14, onder c, WTU-BES. In geval van werkloosheid zal veelal ook niet meer worden beschikt over voldoende middelen van bestaan, hetgeen in strijd is met het algemeen belang. Als de buitenlandse werknemer vrijwillig werkloos is geworden, krijgt hij geen zoekperiode van zes weken en wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd direct ingetrokken. Of sprake is van vrijwillige werkloosheid wordt beoordeeld door de RCN-unit SZW. Hierover kan met deze unit contact worden opgenomen. Als de vreemdeling verblijf wenst voor een ander verblijfsdoel, moet hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning indienen dan wel wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunningen aanvragen. Als hij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet, kan aan de vreemdeling een nieuwe verblijfsvergunning worden verleend. Als een vreemdeling, die in het bezit is van een voor het verrichten van arbeid in loondienst geldige verblijfsvergunning, arbeidsongeschikt wordt, kunnen zich de volgende situaties voordoen: Als de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt deze niet ingetrokken als de vreemdeling: niet meer voldoet aan een aan de verblijfsvergunning verbonden beperking; dan wel als hij in een zodanige staat van behoeftigheid verkeert, dat hij niet langer naar behoren in het onderhoud van zichzelf en zijn wettig gezin kan voorzien (zie artikel 5.46 BTU-BES en artikel 14, onder d en e, WTU-BES). De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan wel worden ingetrokken op grond van het algemeen belang (zie artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES en artikel 5.46 BTU-BES). Van de mogelijkheid de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van artikel 14, aanhef en onder c, WTU-BES wordt geen gebruik gemaakt als de vreemdeling arbeidsongeschikt is en hij om die reden niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Reden hiervoor is dat het op grond van artikel 5.46 BTU-BES niet mogelijk is om de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken op grond van 14, aanhef en onder d, WTU-BES. Als de vreemdeling wel langer dan 5 jaar rechtmatig verblijf heeft in de openbare lichamen, maar niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wel worden ingetrokken op grond van artikel 14, aanhef en onder c, d en e WTU-BES. Bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaald tijd met als doel ‘arbeid in loondienst’, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van: het niet meer voldoen aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend (zie artikel 14, onder e, WTU-BES); dan wel het algemeen belang wegens het niet meer duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 14, onder c, WTU-BES). De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning zou kunnen voldoen. De vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt in geval van arbeidsongeschiktheid ingetrokken op grond van: het niet meer voldoen aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend (zie artikel 14, onder e, WTU-BES); dan wel het algemeen belang wegens het niet meer duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie artikel 14, onder c, WTU-BES). De onder b genoemde intrekkingsgrond kan met name gebruikt worden in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, aangezien de vreemdeling dan vaak nog wel gedeeltelijk arbeid verricht en dus nog wel aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning voldoet. Voor het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het van belang te weten of de vreemdeling nog werkzaam is. Dat wil zeggen of hij nog hetzelfde werk verricht bij dezelfde werkgever als waarvoor aan hem een verblijfsvergunning is verleend. Om dit te controleren worden bij de aanvraag om verlenging onder meer de volgende bescheiden overgelegd: geldige TWV; recente werkgeversverklaring. Daarnaast moet de IND-unit Caribisch Nederland informatie inwinnen over de buitenlandse werknemer, bijvoorbeeld over: een eventueel ontslag; zijn aanspraken op een uitkering; eventuele arbeidsbemiddeling. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, BTU-BES kan de IND-unit Caribisch Nederland deze informatie inwinnen bij de RCN-unit SZW en de arbeidsbemiddelingsorganisatie. Een werkgever is strafbaar op grond van artikel 23, tweede lid, WTU-BES wegens het niet nakomen van een vordering van Onze Minister op grond van artikel 6.39 BTU-BES tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die hij in dienst heeft gehad. Een werknemer die werkt, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, is strafbaar wegens het niet voldoen aan de beperking en voorschriften (zie artikel 26, eerste lid, WTU-BES). Een werknemer die van rechtswege toelating heeft op grond van artikel 5a BTU-BES, is op grond van artikel 26, tweede lid, WTU-BES strafbaar als hij de verplichting in artikel 6.38 BTU-BES niet nakomt. Deze verplichting houdt in dat de vreemdeling, die gaat zoeken naar arbeid dan wel arbeid gaat verrichten, hier onmiddellijk mededeling van doet bij de korpschef. Deze verplichting geldt ook als de vreemdeling niet langer voldoet aan de artikelen 6.39 en 6.40 BTU-BES. Zie voor een algemene toelichting op de strafbepalingen in de WTU-BES hoofdstuk 9.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel