1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap
kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor het
toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c
tot en met e en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden
vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of waarin de grond of baggerspecie
wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,
bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.
2. De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de
interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de maximale waarden voor de
bodemfunctieklasse industrie worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd
materiaal kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 44,
tweede lid.