Dit Treasurystatuut gemeente Bernheze 2022 treedt in werking met terugwerkende kracht tot
1-1-2022.
Toelichting op het treasurystatuut gemeente Bernheze 2022
In dit treasurystatuut wordt het treasurybeleid van de gemeente op hoofdlijnen vastgelegd. Dat gebeurt in de eerste plaats door het aangeven van de doelstellingen van de treasuryfunctie
(in artikel 2).
Vervolgens geeft het bestuur in het statuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de
doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend voorschrift voor een
handelswijze die gevolgd moet worden en een limiet is een type richtlijn die een uiterste grens aangeeft. Een belangrijk deel van de limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Door de limieten en richtlijnen wordt het “risicoprofiel” van de gemeente bepaald, waarbinnen de treasuryactiviteiten dienen te worden uitgevoerd.
De financieringsparagraaf in de begroting geeft de beleidsplannen voor de treasuryfunctie voor de komende jaren en in het bijzonder voor het eerstkomende jaar weer. Het bevat onder meer gegevens over de algemene ontwikkelingen en de concrete beleidsplannen binnen de kaders van het statuut.
Het gaat hierbij vooral om de plannen voor het risicobeheer, de gemeentefinanciering (analyse
van de financieringspositie, leningen- en garantieportefeuille en uitzettingsportefeuille) en het kasbeheer. Uit de toelichting zal moeten blijken dat de plannen binnen de kaders van de Wet Fido en het Treasurystatuut blijven. De financieringsparagraaf in het jaarverslag geeft in het bijzonder een verschillenanalyse tussen de plannen zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie in het verslagjaar.
Artikel 1
Bij de gehanteerde begrippen is een korte toelichting gegeven.
Artikel 2
In dit artikel worden de doelstellingen van de treasuryfunctie van onze gemeente weergegeven, die hieronder verder afzonderlijk worden toegelicht.
Artikel 2, lid 1
In de eerste plaats dient de treasurer ervoor te zorgen dat de gemeente “duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities”. De treasurer dient te waarborgen dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten.
De condities die daar bij worden bedongen dienen, in het licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel en tenminste marktconform te zijn.
Artikel 2, lid 2
Door haar activiteiten loopt de gemeente de volgende financiële risico’s: renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico ‘s. Het is de taak van de treasurer dergelijke risico’s zo veel mogelijk te beperken. In de artikelen 5 tot en met 9 wordt aangegeven op welke wijze dit wordt gewaarborgd.
Artikel 2, lid 3
De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het minimaliseren van de kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten bestaan o.a. uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Het is de taak van de treasurer het beheer zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
Artikel 2, lid 4
De gemeente streeft ernaar haar renteresultaten te optimaliseren. Dit betekent dat de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijk rentekosten) zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s, de treasuryfunctie is immers géén winstgerichte afdeling (“profit center”).
Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in de Wet Fido en dit treasurystatuut kan desondanks worden gestreefd naar optimalisatie van de renteresultaten.
Artikel 2, lid 5
Bij de uitvoering van de treasuryfunctie hebben we te maken met “gevoelige taken” zoals de fiattering van betalingen. Ter voorkoming van misbruik en voor een goede inrichting van het systeem is een goed en veilig betaalsysteem noodzakelijk. De voorwaarden hiervoor worden in dit statuut aangegeven.
Artikel 2, lid 6
Op het juiste moment dienen alle betrokken gremia en personen over de benodigde informatie te kunnen beschikken om hun rol op te kunnen pakken.
Artikel 3, lid 1
De Wet Fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten met betrekking tot treasury. Dit betreft de “publieke taak” waarvoor leningen en garanties dienen enerzijds en het prudente karakter van (overige) uitzettingen anderzijds. Er wordt hierbij dus een specifiek onderscheid
gemaakt tussen het verstrekken van leningen “uit hoofde van de publieke taak” en het uitzetten van middelen “uit hoofde van treasury”.
De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. Wel wordt in de toelichting op de Wet Fido het volgende aangegeven: “Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak”.
In dit artikel is het kader opgenomen waar binnen het college leningen en garanties kan verstrekken.
Het beleid van de gemeente Bernheze is erop gericht dat instellingen hoofdzakelijk gebruik maken van de bestaande waarborgfondsen (Waarborgfonds Sociale Woningbouw, Waarborgfonds voor de Zorgsector, Stichting Waarborgfonds Sport, Waarborgfonds Kinderopvang enz.).
Het verstrekken van hypothecaire leningen, dan wel het verlenen van garanties hierop, aan eigen personeel en politieke ambtsdragers is in de Wet Fido nadrukkelijk niet toegestaan.
Artikel 3, lid 2
Conform de Wet Fido dienen uitzettingen “uit hoofde van treasury” (zie toelichting artikel 3 lid 1) een prudent karakter te hebben.
In de Wet Fido en de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip “prudent” nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk die financiële waarden te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (zie artikel 2 lid 2 Wet Fido en de memorie van toelichting op de Wet Fido). Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen – zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut vallen binnen de kaders van de Wet Fido.
De richtlijnen van dit treasurystatuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen en hebben derhalve géén betrekking op (eventueel) verstrekte leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” van de gemeente.
Artikel 3, lid 3
Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De Wet Fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s. Als van het instrument derivaten gebruik gemaakt wordt is een extra waarborg ingebouwd door te bepalen dat een externe deskundige hierover advies uitbrengt. In 2014 vond een aanscherping plaats over het gebruik van derivaten en het prudent gebruik ervan. Het gebruik van derivaten dient via de jaarrekening te worden verantwoord, waarmee het een onderdeel is van de rechtmatigheidstoets van de accountant.
Artikel 4
Artikel 2 van de Wet Fido is ingrijpend gewijzigd door de invoering van het schatkistbankieren. Het verplicht gebruik van het schatkistbankieren is in dit artikel van de wet opgenomen, alsmede de mogelijkheid voor decentrale overheden om onderling leningen aan te gaan. In de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden worden enkele uitzonderingen genoemd voor het schatkistbankieren, waaronder middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal, gemiddeld het drempelbedrag niet te boven gaan. Het drempelbedrag wordt jaarlijks bepaald en bedraagt 0,75% van het begrotingstotaal. Verder worden in deze regeling alle voorwaarden genoemd die gelden bij het verplichte schatkistbankieren.
Een belangrijke mogelijkheid die is geïntroduceerd met het schatkistbankieren betreft de mogelijkheid voor decentrale overheden om overtollige middelen te gebruiken om onderling leningen aan te kunnen gaan. Deze mogelijkheid is opgenomen om de gevolgen van rentederving te beperken. Door onderlinge afspraken kan een hoger rendement worden behaald dan bij het aanhouden van overtollige middelen in de schatkist. Het is niet toegestaan om bij de toezichthoudende instantie leningen uit te zetten of aan te gaan. Voor de gemeente Bernheze is dat de provincie Noord Brabant. Hiermee wordt iedere vorm van belangenverstrengeling voorkomen.
Artikel 5, lid 1
Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente.
Een belangrijk uitgangspunt van de Wet Fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Om een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet Fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, omdat fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend naar 8,5% van het begrotingstotaal bij aanvang van het dienstjaar.
Uitgangspunt is dat de kasgeldlimiet niet wordt overschreden.
Bij wijziging van de wet Fido is artikel 4 aangepast, nu luidende: “indien een openbaar lichaam voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, stelt het daarvan de toezichthouder op de hoogte, en legt het de kwartaalrapportage en een plan om binnen de kasgeldlimiet te blijven ter goedkeuring voor aan de toezichthouder”.
Dit betekent dat in enig kwartaal de kasgeldlimiet overschreden kan/mag worden. Uiterlijk bij de derde overschrijding moeten structurele maatregelen aan de toezichthouder worden voorgelegd.
Artikel 5, lid 2
Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisiconorm wordt berekend door een vastgesteld percentage van 20% te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal bij aanvang van het dienstjaar.
Artikel 5, lid 3
Afstemming op de liquiditeitsprognose heeft als doel om bedragen slechts te lenen dan wel
uit te zetten gedurende de periode dat zij daadwerkelijk nodig respectievelijk beschikbaar zijn.
Artikel 5, lid 4
Bij een zeer lage rente is het voordelig om de lening gedurende de gehele looptijd rentevast te maken. Bij een hoge rente kan een renteconversieclausule worden opgenomen.
Artikel 5, lid 5
Een rentevisie is een toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling, op basis waarvan financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Afhankelijk van de (interne of externe) ontwikkelingen wordt de rentevisie geactualiseerd. De rentevisie kan daarbij gebaseerd worden op de rentevisie van enkele gezaghebbende financiële instellingen, zoals de huisbankier en enkele handelsbanken. Afstemming van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld het uitstellen van uitzettingen met een lange looptijd op het moment dat een rentestijging verwacht wordt.
Artikel 6, lid 1
Overtollige middelen boven de berekende drempel moeten in de schatkist van het rijk worden gestort.
Artikel 6, lid 2
Koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit treasurystatuut geen richtlijnen met betrekking tot producten opgenomen. Van belang is dat de gemeenteraad bepaalt dat de betreffende uitzetting tot de “publieke taak” van de gemeente behoort. In dit kader is het bijvoorbeeld mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen (b.v. Bank Nederlandse Gemeenten) tot de publieke taak behoren.
Artikel 7, lid 1
Bij uitzettingen bij het rijk wordt geen kredietrisico gelopen.
Artikel 7, lid 2
In voorkomende gevallen kunnen bij het verstrekken van leningen –uit hoofde van de publieke taak- zekerheden of garanties worden geëist.
Artikel 8
Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente gelden voor een bepaalde periode heeft uitgezet)en waarbij gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de gelden (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente tijdelijk een lening moet aantrekken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een deposito bij het schatkistbankieren of een lening aan medeoverheden) ofwel tussentijds een uitzetting moet verkopen (bijvoorbeeld een obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.
Ter beperking van dit risico baseert de gemeente haar financiële transacties op een liquiditeits-prognose waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland. Teneinde aansluiting te zoeken op de meerjarige investeringsplanning van de gemeente is ge-kozen om een liquiditeitsprognose voor een periode van drie jaar op te stellen.
Deze wordt twee maal per jaar samengesteld (voorjaar en najaar) en in de treasurycommissie besproken. De treasurycommissie bestaat uit de portefeuillehouder financiën, concern-controller en de treasurer.
In de praktijk blijkt dat het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeitsprognose niet eenvoudig is. Dit heeft te maken met een aantal onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de hieraan verbonden financiële gevolgen. (Bijvoorbeeld de voorfinanciering van het regionale bedrijventerrein). Het is daarom van groot belang dat de treasurer juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige teams over de financiële gevolgen van hun activiteiten.
Artikel 9
Dit is o.a. opgenomen in het Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden. Ook al geeft dit besluit ruimere mogelijkheden, als gemeente Bernheze verstrekken we of gaan we geen leningen aan in andere valuta dan de euro zonder indexatie.
Artikel 10, lid 1
Het aantrekken van gelden met als doel om deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet Fido (zie ook memorie van toelichting op de wet Fido) nadrukkelijk niet toegestaan.
Artikel 10, lid 2
Om de renteresultaten te optimaliseren wordt zoveel mogelijk eerst gebruik gemaakt van de eigen interne financiering. Indien de omstandigheden zich voordoen kan in bepaalde gevallen projectfinanciering van grondexploitaties de voorkeur hebben.
Artikel 10, lid 3
Onderhandse geldleningen zijn leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld. Langlopende leningen kunnen ook worden aangegaan met partijen waarvoor het schatkistbankieren geldt.
Artikel 10, lid 4
Deze richtlijn beoogt de marktconformiteit van financieringen te waarborgen, voor bijv. te betalen rentepercentages, provisies, (boete-)clausules bij vervroegde aflossing etc. Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente een beter beeld heeft van de op dat moment gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt.
Artikel 11, lid 1
Uitzettingen kunnen slechts plaats vinden bij de partijen die genoemd zijn in de regeling schat-kistbankieren.
Artikel 12, lid 2
Tussenpersonen dienen aan bepaalde kwalificaties te voldoen.
Artikel 13, lid 1
Geldstromenbeheer omvat met name het zorgdragen voor een efficiënt betalingsverkeer. Geldstromen kunnen bijvoorbeeld op elkaar worden afgestemd door een betalingsdatum af te stemmen op bepaalde verwachte ontvangsten. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente tijdelijk middelen aan moet trekken (c.q. middelen aan haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken) teneinde de betreffende betaling (tijdelijk) te financieren.
Artikel 13, lid 2
Het laten uitvoeren van het betalingsverkeer door één bank heeft als voordeel dat er geen kosten hoeven te worden gemaakt om gelden tussen verschillende banken over te boeken.
Artikel 14, lid 1
Het saldo- en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen ( courant) van de gemeente. Om de noodzaak tot het doen van interne overboekingen te beperken, worden verschillende rekeningen die de gemeente bij één bank aanhoudt opgenomen in een rentecompensabel systeem. Dit is een systeem waarbij de (valutaire) debet saldi en credit-saldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover rente wordt berekend.
Artikel 14, lid 2
Zie ook de toelichting bij artikel 5, lid 1:
“indien een openbaar lichaam voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, stelt het daarvan de toezichthouder op de hoogte, en legt het de kwartaalrapportage en een plan om binnen de kasgeldlimiet te blijven ter goedkeuring voor aan de toezichthouder”.
Artikel 14, lid 3
In dit lid worden limitatief de mogelijke korte termijn financieringsinstrumenten benoemd. De term daggeld (ook wel callgeld genoemd) staat voor een opgenomen of uitgezette lening voor onbepaalde tijd die dagelijks gewijzigd kan worden. Kasgeldleningen zijn niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en een vaste periode (maximaal twee jaar) en tegen een vast rentepercentage. Kredietlimiet op de rekening courant betreft de mogelijkheid debet (‘rood’) te staan op de rekening courant. De kredietlimiet bij de huisbankier is gelijk aan de kasgeldlimiet en wordt jaarlijks zo nodig aangepast, afgerond op een veelvoud van € 500.000, .
Artikel 14, lid 4
Bij aantrekken van gelden worden minimaal twee offertes opgevraagd.
Artikel 15
Bij de treasuryfunctie zijn veel personen en organen betrokken. Het statuut legt expliciet het delegatie- en mandateringspatroon vast, in casu welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden de betrokken partijen hebben. Met het oog op de omvang van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s, zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen om een transparante functiescheiding aan te brengen tussen beleidsbepaling en de uitvoering en tussen de administratie en controle op financiële transacties.
Artikel 16
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de functionarissen die binnen de gemeente betrokken zijn bij de treasury-activiteiten zijn in artikel 16 respectievelijk artikel 17 beschreven. De toekenning van de genoemde functies en bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden aan functies en/of functionarissen vindt plaats via de hiertoe dienende documenten (mandaten, besluiten e.d.). Deze verantwoordelijkheden dienen te worden gecommuniceerd naar de betrokkenen.
Artikel 17
De eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid ligt primair bij het bestuur van de gemeente. Teneinde niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het bestuur een deel van haar bevoegdheden over aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid heeft dus vooral op ambtelijk niveau plaats, wat als voordeel heeft dat er slagvaardiger kan worden geopereerd. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.
Artikel 18
De tabel in dit artikel geeft weer op welke wijze de informatievoorziening wordt gewaarborgd voor: operationele informatie (punt 1 en 2), beleidsmatige informatie (punt 3) en verantwoordingsinformatie (punt 4). Het verstrekken van juiste, tijdige, volledige en relevante verantwoordingsinformatie moet gerekend worden tot de belangrijkste voorwaarden voor het kunnen beheersen van de financiële en interne risico’s van de gemeente .
Artikel 18, punt 1
Teams dienen ‘incidenteel’ informatie te verschaffen op de momenten waarop zich significante wijzigingen voordoen in hun verwachtingen omtrent tijdstip of omvang van toekomstige betalingen of ontvangsten (bijv. bij uitstel van een grote investering, vertraging van bestemmingsplan waardoor grote bedragen ruimschoots later worden terugontvangen).
Verwijzingen
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 5
- artikel 3
- artikel 4
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 3
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 3
- Artikel 2
- artikel 17
- artikel 16
- Artikel 14
- Artikel 11
- Artikel 5
- Artikel 7
- Artikel 6
- Artikel 14
- Artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 7
- artikel 5
- Artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 18
- Artikel 13
- Artikel 5
- Artikel 14
- Artikel 14
- Artikel 13
- artikel 2
- Artikel 6
- Artikel 12
- Artikel 5