**1..** In afwijking van het bepaalde bij artikel 11, 1e lid sub a, bedraagt het pensioen voor een ambtenaar, voorkomende op Staat B; in de gevallen, bedoeld in artikel 8, 1e lid sub 1 en 2, 1/60 van den pensioengrondslag voor ieder jaar van het aantal, dat men verkrijgt door het aantal dienstjaren met 10 te vermeerderen, met dien verstande, dat het pensioen niet minder dan ¼ en niet meer dan ? van den pensioengrondslag bedraagt. Het pensioen of de som der pensioenen kan het bedrag van f 3.000,00 niet overschrijden.
**2..** In afwijking van het bepaalde bij artikel 2 wordt aan de op 1 October 1913 in tijdelijken dienst zijnde ambtenaren, die op dat tijdstip niet ingevolge artikel 4, 2e lid, onder de werking dezer verordening vallen en wier betrekkingen voorkomen op den in artikel 4 genoemden staat B, pensioen toegekend op den voet van het 1e lid van dit artikel, mits het dienstverband van deze ambtenaren met de Gemeente na genoemden datum niet is onderbroken en de aanstelling in tijdelijken dienst is gevolgd.
§ 2.
Artikel 12
Artikel 12
Onderdeel van Verordening op het verleenen van pensioen aan ambtenaren der gemeente en aan hunne weduwen en weezen